|
Gevangenis Leeuwarden
N°• 1. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 5den Januarij 1860, n°.
110, betrekkelijk de kleeding der portiers en bewaarders in de Rijks
gevangenissen. Ik heb de eer U Hoog Ed. Gestr. te berigten, dat, ten gevolge der
aan mij gedane voorstellen door de vergadering, belast geweest met de beraming
van het algemeen plan van arbeid der gevangenen voor 1860, bij mijne beschikking
van heden, waarvan een afschrift hiernevens gaat en waaraan ik de vrijheid neem
mij te gedragen (bijl. A), in de kleeding van de portiers en de bewaarders in de
Rijks gevangenissen voorloopig eenige nadere wijzigingen zijn gebragt, te
rekenen van den lsten Julij 1860.
Ik verzoek de Heeren Commissarissen des Konings in de provincien, deze
beschikking aan de besturen der gevangenissen in hunne provincie, waarvoor de
noodige exemplaren hiernevens gevoegd zijn, te willen mededeelen, met
uitnoodiging, daarvan aan de betrokken beambten dier gestichten te willen kennis
geven. De Minister van Justitie, (geteekend) C. M. B. BOOT.
N°. 1 A.Aanhangsel der Circulaire van den 5den Januarij 1860, n°. 110. DE
MINISTER VAN JUSTITIE, Gezien de aan hem gedane mededeling van het verhandelde
in de vergadering, belast geweest met de beraming van het algemeen plan van
arbeid voor de Rijks gevangenissen, over 1860; Heeft goedgevonden en verstaan,
met opzigt tot de kleeding der portiers en bewaarders in de Rijks gevangenissen
bij deze de navolgende nadere bepalingen voorloopig vast te stellen: 1°. De
dragttijd van den overrok of jas wordt van vier jaren op twee jaren en zes
maanden gebragt. 2°. De dragttijd van den sluitjas van fijn onderofficierslaken,
welk kleedingstuk thans, wegens den daarvoor aanvankelijk gestelden dragttijd
van twee jaren en zes maanden, te weinig wordt gedragen, - wordt tot een jaar en
zes maanden verminderd. 3°. In plaats van twee laken pantalons - een van fijn en
een van gewoon laken, te zamen een jaar en zes maanden moetende dienen - zullen
worden verstrekt één pantalon van fijn laken en twee zomerpantalons van gekeperd
linnen, waarvan de dragttijd te zamen een jaar zal zijn. 4°. Het mouwvest wordt
afgeschaft. Deze wijziging in de kleeding van de portiers en bewaarders in de
Rijks gevangenissen zal, volgens den bijgevoegden staat (bijl. B), den lsten
Julij 1860 in werking treden. 's Gravenhage, den 5den Januarij 1860. De Minister
voornoemd, (geteekend) c. H. B. BOOT. Voor kopij conform, De Secretaris-Generaal,
(geteekend) DE JONGE.
N°. 1 B. Aanhangsel der Circulaire van den 5den Jauuarij 1860, no. 110, STAAT
der kleedingstukken voor de portiers en bewaarders in de Rijks gevangenissen en
van den dragttijd daarvan, overeenkomstig de bepalingen, nader voorloopig
vastgesteld bij beschikking van den Minister van Justitie, van den 5den Januarij
1860, n°. 110. De verstrekking der gemelde kledingstukken, volgens dezen staat,
zal den eesten Julij 1860 een aanvang nemen. De Minister voornoemd, (getookend)
e. iI. B. BOOT. Voor kopij conform, De Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE.
N°- 2 KONINKLIJK BESLUIT van den 7den Januarij 1860 (Staatsblad n°. 2), tot
nadere regeling der reis en verblijfkosten van den cipier van het hulphuis van
arrest en van bewaring te Amsterdam. WIJ WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING
DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ.,
ENZ. Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van den 30sten December
1859, no. 96; Gezien Ons besluit van den 28sten September 1859, no. 57; Gelet op
art. 1 § a, van Ons besluit van den 23sten April 1851 (Staatsblad n°. 21) ;
Gehoord Onzen Minister van Financien (advies van den 5den Januarij 1860, n°. 10,
R. U.); Hebben goedgevonden en verstaan: Art. 1. Den cipier van het hulphuis van
arrest en van bewaring te Amsterdam, met intrekking van Ons besluit van den
28sten September 1859, n o."57, ten aanzien der vergoeding voor reis- en
verblijfkosten te rangschikken onder de 3de klasse van het tarief, vastgesteld
bij Ons besluit van 15 December 1859 (Staatsblad n°. 62). Art. 2. De bepaling
van Ons tegenwoordig besluit wordt gerekend in werking te zijn getreden den
18den Julij 1859. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit
besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Financien
en aan de Algemeene Rekenkamer tot informatie en het welk voorts in het
Staatsblad zal worden geplaatst. 's Gravonhage, den 7den Januarij 1860. (geteekend)
W I L L E M. De Minister van Justitie, (geteekend) c. n. B. BOOT. Uitgegeven den
negentienden Januarij 1860. De Directeur van het Kabinet des Konings,
N°• 3. DISPOSITIE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 7den Februarij 1860, no.
135, houdende bepalingen voor het transport van gevangenen te water. DE MINISTER
VAN JUSTITIE, Heeft goedgevonden vast te stellen de navolgende bepalingen voor
het transport van gevangenen te water: 1. Het overbrengen van gevangenen te
water zal bij voorkeur plaats hebben met stoombooten; zullende daartoe geen
gebruik van zeilschepen mogen gemaakt worden, anders dan bij volstrekte
noodzakelijkheid. 2. Die transporten zullen nimmer grooter mogen zijn dan van 20
gevangenen op éénmaal. 3. Voor elke 4 gevangenen zal één marechaussee of
rijksveldwachter als geleider moeten worden aangewezen, terwijl voor het
overschietend minder getal mede één man zal aangewezen worden. 4. Bovendien zal
een wachtmeester of brigadier met het oppertoezigt bij elk transport zijn belast.
5. Van die geleiders zal er altijd ten minste één, bij afwisseling, op het dek
moeten blijven, op aanwijzing des brigadiers. 6. De gevangenen zullen steeds,
zooveel mogelijk, onder moeten blijven; zij zullen nimmer een oogenblik aan
zichzelven mogen overgelaten, maar onder onafgebroken toezigt en steeds binnen
het bereik der geleiders moeten zijn. 7. Vóór het vertrek van elk transport te
water zal de ruimte, bestemd voor de gevangenen en hunne geleiders, vooraf
moeten worden opgenomen door den ter plaatse aanwezigen chef der brigade der
Koninklijke marechaussee of rijksveldwacht. 8. Bijaldien bij de opneming, in het
vorig artikel vermeld, blijken mogt van onvoldoende ruimte, moet met het
transport tot de eerstvolgende goede gelegenheid gewacht worden. 9. De
kommandant van het geleide zal zorgen, dat de gevangenen vooraf de daarvoor
gestelde voeding hebben ontvangen, en, bijaldien het transport met een zeilschip
moet plaats hebben, dat eene voor hen voor de reis voldoende hoeveelheid brood
en water aan boord voorhanden zij. 's Gravenhage, den 7den Februarij 1860. De
Minister voornoemd, (geteekend) c. I3. B. BOOT.
N°- 4. MISSIVE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 14den Februari 1$60, no.
144, betrekkelijk het bezigen van gemeente-politie-beambten tot het overbrengen
van gevangenen. Meermalen zijn er bij mijn Departement klagten ingekomen van
burgemeesters, over het bezigen van gemeente-policie-beambten tot het
overbrengen van gevangenen naar veelal zeer verwijderde plaatsen, (bijv. naar
Ommerschans, enz.). Blijkbaar is dit in strijd met de gemeentewet, die in art.
190 de gemeente policie wel verklaart dienstbaar te zijn aan de rykspolicie,
maar niet kan bedoelen, dat de dienaren van gemeente policie buiten de grenzen
der gemeenten zouden gebruikt worden tot het doen van rijks-politiedienst,
waartoe ontwijfelbaar behoort het geleiden der boven bedoelde transporten. De
gegrondheid dus dezer klagten erkennende, heb ik de eer de heeren
procureursgeneraal bij de provinciale geregtshoven, fungerende directeuren van
policie, uit te noodigen, door tusschenkomst der heeren officieren van justitie,
aan heeren burgemeesters en commissarissen van policie te doen weten, dat voor
het overbrengen van gevangenen naar elders steeds rijks policiepersoneel zal
behooren te worden gebruikt. De Minister van Justitie, (geteekend) c. EE. B.
BOOT.
N°- 5. MISSIVE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 20sten Februari 1860, n°.
94, betrekkelijk uitgaven en ontvangsten wegens arbeid van gevangenen. Onder
terugzending van den staat der ontvangsten en uitgaven, wegens den arbeid der
gevangenen inde gevangenis te. over 1859, en de daarbij gevoegde kwitantie van
storting in 's Rijks kas van het saldo van dien arbeid, ad - welke stukken
gevoegd waren bij de missive uwer commissie van den . moet ik de vrijheid nemen
daaromtrent het volgende op te merken 10. Volgens de begrooting der uitgaven en
inkomsten van den arbeid der gevangenen, welke jaarlijks afzonderlijk bij de wet
wordt vastgesteld, moeten alle uitgaven wegens den arbeid uit gezegde begroeting
worden bestreden, en moeten daarentegen alle ontvangsten deswege, geheel en
zonder eenige korting, tot dekking der uitgaven in de schatkist worden gestort;
terwijl het batig saldo van de meerdere ontvangsten dan de uitgaven, jaarlijks
onder de staatsinkomsten moet worden verantwoord. 2°. Daar voor de verdere
kosten der gevangenissen de noodige gelden jaarlijks op de Staatbegrooting
worden toegestaan, spreekt het van zelf, dat geene voorwerpen voor de gewone of
huishoudelijke dienst der gevangenissen uit gelden wegens den arbeid der
gevangenen mogen worden aangeschaft.
Niet slechts worden de beide diensten daardoor vermengd, maar men handelt
daardoor ook geheel in strijd met de bestaande regelen der comptabiliteit. Alle
kosten der gevangenissen moeten ten laste van de Staatsbegrooting worden gebragt,
met uitzondering alleen van de uitgaven wegens den arbeid der gevangenen,
waarvoor Bene speciale begrooting bestaat. 3°. In verband met dit een en ander
hadden niet alleen de ontvangsten wegens den particulieren arbeid der gevangenen
in de gevangenis te over 1859, ad in haar geheel, zonder eenige korting in de
schatkist behooren te worden gestort ; maar bovendien hadden ook, wegens de door
den arbeid aangemaakte en afgeleverde voorwerpen ten behoeve van de gewone of
huishoudelijke dienst van het gesticht, als hangmatten, celstoelen, enz.,
mitsgaders wegens de reparatie van mobilaire voorwerpen, facturen behooren te
worden ingezonden, opgemaakt volgens het hiernevens gevoegd model (bijl. A), ten
einde het daarvoor verschuldigde uit de Staatsbegrooting, ten behoeve van het
fonds wegens den arbeid der gevangenen, had kunnen worden geordonnanceerd. 4°.
Daarentegen hadden, wegens de aangeschafte grondstoffen, betaalde arbeidsloonen
(zooveel zakgeld en uitgaanskas betreft) en andere uitgaven wegens den arbeid
der gevangenen, declaratien behooren te worden ingezonden, ten einde die uit de
begrooting wegens den arbeid hadden kunnen worden voldaan. 5°. En wat betreft de
vrachtkosten en andere huishoudelijke behoeften, die al mede uit de gelden van
den arbeid zijn betaald, ook daarvan hadden op de gebruikelijke wijze,
afzonderlijke declaratien ter verevening behooren te worden ingezonden. waar,
enz. De Minister van Justitie, Namens den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend)
DE JONGE.
N°. 5 A. Aanhangsel der Missive van den 20sten Februarij 1860, n°. 9 E. NB. Wat
betreft de prijzen, welke voor de leverantien kunnen worden in rekening gebragt,
deze behooren in billijkheid te worden gesteld ; waarbij , behalve de grondstof
en het arbeidsloon in zijn geheel genomen, bovendien nog 15 per cent voor
algemeens onkosten dienen te worden berekend. Indien tot het aanmaken of
afleveren der voorwerpen speciale magtiging mogt zijn verleend, zal het niet
ondienstig zijn, de dagteekening daarvan in de geleidende missive te vermelden.
N°• 6. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 7den Maart 1860, n°.
152, betrekkelijk een nader tarief van prijzen, waarvoor liggingstukken en
meubelen uit strafgevangenissen aan huizen van bewaring zullen kunnen geleverd
worden. Daar de prijzen der grondstoffen sedert het opmaken van het bij het
dezerzijdsch schrijven van den 10den September 1856, n°. 109, gevoegd tarief der
prijzen, waarvoor de gewone artikelen van het nachtleger der gevangenen en de
verder benoodigde mobilaire voorwerpen voor de huizen van bewaring uit de
magazijnen van den arbeid der gevangenen vrachtvrij en ook roetinbegrip der
emballage kosten aan die gestichten geleverd kunnen worden, aanmerkelijk
gestegen zijn, is dat tarief eenigzins verhoogd moeten worden, en zijn de
prijzen der bedoelde objecten thans vastgesteld, zoo als zij op het hierbij
gevoegd nader tarief (bijl. A) zijn vermeld.
Vermits het gebruik van linnen bedlakens in de Rijks gevangenissen is afgeschaft
en die door katoenen zijn vervangen, kunnen in het vervolg ook geen linnen
bedlakens meer aan de huizen van bewaring verstrekt worden. De prijs van de
stroozakken van 1'/, breedte was bij het vorig tarief abusivelijk eenigzins te
hoog gesteld. Ik heb mitsdien de eer de heeren Commissarissen des Konings in de
provincien te verzoeken, dit nader tarief aan de commissien van administratie en
collegien van toezigt over de huizen van bewaring in hunne provincie te willen
mededeelen, met uitnoodiging, de kosten der te doene leverantien in het vervolg
naar dat verhoogd tarief te berekenen. De Minister van Justitie, ad int. Namens
den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE. Benaming der
voorwerpen. Prijzen. Stroozakken van 1 breedte per stuk f 1.66
No. 6 A. Aanhangsel der circulaire van den 7den Maart 1860 n°. 152. NADER TARIEF
der prijzen, waarvoor de gewone artikelen van het nachtleger der gevangenen, en
de na te melden mobilaire voorwerpen, uit de magazijnen van den arbeid der
gevangenen, vrachtvrij en ook met inbegrip der emballage kosten, aan de huizen
van bewaring kunnen worden geleverd. 's Gravenhage, den 7den Maart 1860. De
Minister van Justitie, ad int. Namens den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend)
DE JONGE.
N°• 7. KONINKLIJK BESLUIT van den 13den Maart 1860, no. 51, houdende magtiging
tot het in-dienst-stellen van orgánisten bij strafgevangenissen, huizen van
verzekering en huizen van arrest. WIJ WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER
-NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ.,
ENZ. Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, ad interim, van den 25sten
Februarij 1860, no. 139, 4de afd.; Hebben goedgevonden en verstaan, Onzen
Minister voornoemd, met wijziging in zooverre van de bestaande bepalingen
omtrent de organisatie en bezoldiging van het personeel der beambten bij de
gevangenissen, bij deze te magtigen, om, ter voorziening in het bespelen van het
orgel inde strafgevangenissen, huizen van verzekering of huizen van arrest,
gedurende de godsdienstoefeningen, bij die gestichten zooveel noodig een
organist in dienst te stellen of te doen stellen, op eene belooning, welke de
som van vyftig h honderd gulden (f 50 à f 100) 's jaars niet zal te boven gaan.
Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering dezes, waarvan afschrift
zal worden gezonden aan de Algemeene Rekenkamer, tot informatie.'sGravenhage,
den 13den Maart 1860. (geteekend) WILLEM De Minister van Justitie, (geteekend)
GODEPROI. Overeenkomstig het origineel, De Secretaris-Generaal bij het
Departement van Justitie, (geteekend) DE JONGE.
N°• 8. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 19den Maart 1860, n°.
145, betrekkelyk het aan beambten van gevangenissen uitreiken van olie, in
plaats van kaarsen. Door de beambten in verschillende gevangenissen is het
verzoek gedaan, in plaats van do kaarsen, die hun tot dusverre worden uitgereikt,
olie te mogen ontvangen. In verband met het algemeen verbruik van olie zie ik er
geen bezwaar in die verzoeken in te willigen, en acht ik het zelfs wenschel:jk,
dat de uitreiking van kaarsen aan de daarop, krachtens Koninklijk Besluit van
den llden December 1822, no. 156, regthebbende beambten, in het algemeen door
eene verstrekking van olie vervangen worde. Gedurende de winter- en de
zomermaanden zullen hun de op bijgaanden staat (bijl. A) vermelde hoeveelheden
olie per dag kunnen worden toegemeten. Hoewel nu de leverantie van de olie
sedert 1-. Jan narij 11. bij het pond geschiedt, wordt het echter, om
verschillende redenen, verkieslijk geacht, de bedoelde verstrekking, zoo als zij
tot dus verre aan de bewaarders der 2de klasse gedaan is, bij de maat te doen
plaats hebben.
In het bezwaar, dat sommige commissien welligt zullen opperen, dat zij, wanneer
de olie bij het gewigt ingeslagen en bij de maat afgeleverd wordt, eene
behoorlijke controle missen, kan gemakkelijk voorzien worden. De lieer adviseur
voor de zaken der maten en gewigten bij het Departement van Binnenlandsche Zaken,
met wiens advies ik mij kan vereenigen, heeft voorgesteld, dat men te dien einde,
nadat een voorraad olie, uitsluitend bestemd voor de uitreiking aan beambten,
ingeslagen is, een Nederlandsche kan met die olie vulle en het gewigt der daarin
bevatte hoeveelheid naauwkeurig wege. Uit dat gewigt laat zich dan terstond
opmaken de hoeveelheid aanwezige olie, in Nederlandsche kannen uitgedrukt. Men
onderstelle bijv., dat men 20 Ned. pond olie ingeslagen en het gewigt tiener
Ned. kan dezer vloeistof bevonden hebbe te bedragen 92 Ned. lood, dan volgt uit
de evenredigheid. P. P. 0,92 : 200 = 1 kan : x. dat men in voorraad heeft 20(00
92 = 217.4 of bijna 217'/2 Ned. kan. Op die wijze zal de controle op denzelfden
voet als tot dus verre kunnen gevoerd worden, en zal de invulling van de
driemaandelijksehe verpleoingstaten der bewaarders en gevangenen evenmin tot
bezwaren aanleiding geven. Ik verzoek mitsdien de heergin Commissarissen des
Konings in de provincien, de besturen der betrokken gevangenissen in hunne
provincie, onder mededeeling van het vorenstaande, te willen uitnoodigen, met de
verstrekking van olie aan de op lichten brandstoffen aanspraak hebbende beambten,
op de hiervoren omschreven wijze, op den eersten April aanstaande te willen doen
aanvangen.
Het zal niet ondienstig zijn daarbij nog op te merken, dat het constateren van
het juiste gewigt eener Nederlandsche kan olie eene bewerking is, welke nog al
eenige zorg vereischt. De maat bijv. moet naauwkeurig van inhoud zijn, en men
moet weten haar behoorlijk te vullen. Ook de schalen en gewigten, waarmede men
weegt, moeten naauwkeurig zijn. Hoeren Commissarissen zullen dus wel willen
aanbevelen, dit een en ander bij de gedachte bewerking behoorlijk te doen in
acht nemen. De Minister van Justitie, Namens den Minister, De
Secretaris-Generaal, (geteekend) DIP. JONGE.
No. 8 A. Aanhangsel der Circulaire van den . 19 den Maart 1M0, n°. 145. STAAT,
houdende opgave der hoeveelheden olie, die, krachtens beschikking van den 19den
Maart 1860, no. 145, ter vervanging van de tot dus verre aan hen uitgereikte
kaarsen, aan de daarop regthebbende beambten in de strafgevangenissen, de huizen
van verzekering, het vereenigd huis van arrest en provoosthuis te Haarlem en het
huis van arrest en Justitie te Assen verstrekt kunnen worden.
No. 9, KONINKLIJK BESLUIT van den 24sten Maart 1860, no. 59, houdende bepalingen
omtrent het benoemen van onderwijzers in huizen van verzekering, in huizen van
arrest en in de gevangenis voor jeugdige veroordeelden te Rotterdamm. Wij WILLEM
III, BIJ DE GRATIE GODS,KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU,
GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ. Gezien de voordragt van Onzen
Minister van Justitie, van den 23sten dezer, no. 96, 4de afd. Gelet op het
reglement van organisatie en bezoldiging van het personeel der beambten bij de
gevangenissen, vastgesteld bij Koninklijk besluit van den llden December 1822,
no. 156. Hebben goedgevonden en verstaan, met wijziging in zooverre van gemeld
reglement, te bepalen, dat door Onzen Minister van Justitie, na deswege de
besturen over de gevangenissen en onze Commissarissen in de provincien te hebben
gehoord, zullen kunnen worden aangesteld a. Voor ieder der burgerlijke en
militaire huizen van verzekering, voor het huis van arrest en justitie te Assen
en voor het vereenigd arrest en provoosthuis te Ilaarlem, een onderwijzer, op
zoodanig tractement, als naar omstandigheden billijk zal worden geoordeeld,
waarvan het bedrag, bij wijze van maximum, wordt vastgesteld op f 450. b. Voor
ieder der huizen van arrest een onderwijzer op een tractement, in voege voormeld
te regelen op een bedrag, niet te bovengaande dat van f 300; c. Voor de
gevangenis voor jeugdige veroordeelden te Rotterdam, een hoofdonderwijzer op een
tractement van f 1200, en, naar omstandigheden, een of twee hulponderwijzers,
respectivelijk op een tractement van f 350 en f 325.
No. 10, CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 18den April 1860, n°.
125, betrekkelijk het door besturen van gevangenissen verkoopen van uitgediende
of onbruikbare goederen. Op de daartoe door mijnen ambtsvoorganger verleende
magtiging, heeft de Commissie van administratie over het huis van verzekering te
. . . , in 1859, eenige oude wapenen en ledergoed van de bewaarders in dat
gesticht onder de hand te gelde gemaakt en de opbrengst, ad f 15, in 's Rijks
kas gestort. De eenvoudige inzending van de kwitantie dier storting heeft echter
der Algemeene Rekenkamer aanleiding gegeven tot bedenkingen. In verband met de
daarover met haar gevoerde briefwisseling, heb ik thans de eer te berigten, dat
de Kamer van oordeel is: dat alléén zoodanige geringe en dagelijks voorkomende
objecten in de gevangenissen, waarvan het belang der dienst vordert, om zich bij
kleine partijen te ontdoen, zonder speciale magtiging en buiten verpligting tot
het doen van rekening, te gelde kunnen worden gemaakt, die bij latere besluiten,
met name van de bepa-lingen van het Koninklijk besluit van den 25sten Januarij
1826, no. 112, zijn uitgezouderd. Dit nu zijn : afval van groenten, de
aardappelen- en knollenschillen, de uitgekookte beenderen, het oude str9o, de
zemelen, de houtskolen, enz.
De Regenten kunnen zich voor gemagtigd houden, die voorwerpen, naar gelang de
omstandigheden zulks vereischen, op de meest geschikte wijze, des noods bij
overdoening uit de hand, te gelde te maken, mits de opbrengst daarvan in 's
Rijks schatkist gestort en de kwitantie deswege aan mij ingezonden worde. Van
alle andere onbruikbare goederen, die slechts nu en dan voorkomen, als Bijv de
finaal afgelegde of uitgediende kleeding- en liggingstukken, de onbruikbare
gereedschappen, de afval van grondstoffen, enz. moeten van tijd tot tijd, naar
gelang der waarde, onderhandsche of openbare verkoopingen gehouden worden;
waartoe de vereischte magtiging steeds vooraf behoort te worden aangevraagd, met
naauwkeurige en duidelijke opgaaf van de goederen en met aanwijzing van den
prijs, waarvoor zij kunnen afgestaan, doch waaronder zij niet vervreemd zullen
mogen worden. Door de personen of collegien, die met den verkoop belast zijn
geweest, moet daarvan voorts eene rekening en verantwoording aan de Algemeene
Rekenkamer gedaan worden, waarvan een model hiernevens is gevoegd (bijl. A). Ik
verzoek de heeren Commissarissen des Konings in de provincien, dit een en ander
aan de besturen over de gevangenissen in hunne provincie te willen mededeelen.
De Minister van Justitie,, Namens den Minister, De Secretaris-Generaal., (geteekend)
DE JONGE.
No. 10 A. Aanhangsel der Circulaire van den 18den April 1860, no. 125. REKENING
EN VERANTWOORDING, welke bij deze aan de Algemeene Rekenkamer is doende de
Commissie van Administratie over de gevangenissen te wegens een openbaren
verkoop van finaal afgelegde rijks-voorwerpen in de genoemde gevangenissen, op
den ingevolge autorisatie van Zijne Excellentie den Minister van Justitie, van
den no.. . . Verklaren wij ondergeteekeuden, op den eed bij het aanvaarden onzer
bediening aan den Lande gedaan, dat in deze rekening is in ontvang gebragt alles,
wat door ons is ontvangen of had moeten ontvangen en verantwoord worden; dat
verder in deze rekening niets wordt in uitgaaf gebragt, hetgeen niet werkelijk
alzoo door ons is uitgegeven; terwijl wij verder verklaren, voor de gedane
betalingen geene giften of gaven te hebben genoten of te zullen genieten, noch
directelijk noch indirectelijk, maar zoodanig te hebben betaald als zulks
volgens de orders van den Lande behoorde te geschieden. den De Commissie van
Administratie over de gevangenissen, Ter ordonnantie van dezelve, Secretaris.
ONTVANG.
De rendanten brengen alhier in ontvang eene som van twee honderd negen en
vijftig gulden, vijf en veertig cents, zijnde de opbrengst der gehouden
verkooping, blijkens nevensgemeld proces-verbaal . f 259.45 Als boven, de
verhooging, ad 10 pet., van de koopsom, volgens art. 1 van het proces-verbaal,
bedragende vijf en twintig Transportere f 259.45 Per transport. . f 259.45
gulden, vier en negentig en een halve cents . 25.945 Totaal der ontvangsten f
285.395 UITGAAF. De rendanten brengen in uitgaaf aan onkosten, op de verkooping
gevallen, volgens overgelegde rekening en kwitantie van den deurwaarder, wegens
salaris en gedane uitschotten, voor eene advertentie in de stads courant, voor
zegels, registratieregt, enz f 25.915 Gestort bij den
arrondissements-betaalmeester te blijkens nevensgevoegde kwitantien, eene somma
van twee honderd negen en vijftig gulden, vijf en veertig cents 259.45 Totaal
der uitgaven f 285.295 BORDEREL op de rekening en verantwoording van de
commissie van administratie over de gevangenissen te wegens eene verkooping van
finaal afgelegde rijksvoorwerpen, op den Ontvang, Uitgaaf, f 285.395. f 285.395.
De ontvang bedraagt f 285.395. De uitgaaf » 285.395.
N°. 11. MISSIVE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 22sten Mei 1860, n°. 101,
betrekkelijk het uitreiken van kleedingstukken aan gevangenen, die ontslagen of
vervoerd worden. Naar aanleiding Uwer missive van den heb ik de eer Uw Hoog Ed.
Gestr. te berigten, dat, volgens het bepaalde bij art. 17 der Instructie nopens
de comptabiliteit der kleeding- en ligging stukken in 's Rijks gevangenissen,
van den 25sten Januarij 1850, aan ontslagen wordende behoeftige gevangenen, en
dus ook aan hen, die naar een bedelaarsgesticht moeten worden overgebragt, zoo
de slechte staat hunner kleeding het noodzakelijk maakt, uit den voorraad van
bijna versleten buiten dienst gestelde kleedingstukken, de noodige kleeding en
ook schoenen kunnen worden uitgereikt.
De uitreiking van schoenen aan bedelaars en landloopers behoort echter alléén te
geschieden, wanneer zij er behoefte aan hebben en te voet moeten reizen ;
terwijl hun klompen moeten worden gegeven, indien zij, gelijk dikwerf plaats
heeft, met scheepsgelegenheid of per rijtuig vervoerd worden. In het eerste
geval worden bij voorkeur reeds gebruikte schoenen gebezigd, die, even als de
benoodigde nieuwe schoenen, in de jaarlijks te doene aanvraag om kleeding en
ligging kunnen worden opgenomen. Voor, enz. De Minister van Justitie, Namens den
Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE.
N°- 12. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 23sten Mei 1860, no.
100, betrekkelijk de comités van heeren en van dames, tot het bezoeken van
gevangenen. Ik heb de eer de heeren Commissarissen des Konings in de provincien
hiernevens eenige afschriften te doen toekomen van eene bij mij ontvangen
missive van heeren hoofdbestuurders van het Nederlandschgenootschap » tot
zedelijke verbetering der gevangenen", betrekkelijk de werking der comité's van
heeren en van dames, tot het bezoeken van gevangenen (bijl. A), waaraan ik mij
gedrage. Mij met de daarbij ontwikkelde beginselen en gedane voorstellen
kunnende vereenigen, verzoek ik heeren Commissarissen daarvan een exemplaar, te
willen toezenden aan de besturen over de gevangenissen in hunne provincie, tot
informatie, en voorts met uitnoodiging, om, voor zoo veel ter plaatse comité's
van heeren en van dames tot het bezoeken der gevangenen mogten bestaan, door
tusschenkomst van het bestuur der betrokken afdeeling van het genootschap, aan
deze comit.é's, onder mededeeling der beschouwingen van hoofdbestuurders, in den
zin van den eersten der voorgestelde maatregelen, een schrijven te willen rigten.
De Minister van Justitie, Namens den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend)
DE JONGE.
No. 12 A. Aanhangsel der Circulaire van den 23sten Mei 1860, no. 100. AAN ZIJNE
EXCELLENTIE DEN MINISTER VAN JUSTITIE. Bij missive van Uwer Excell.
ambtsvoorganger, dd. 3 Februarij 1860, n°. 67, werden in onze handen gesteld zes
stukken, betreffende een verschil van gevoelen, opgerezen in den boezem van het
Dames Comité tot bezoek van cellulair gevangene vrouwen te met verzoek: 10. om
inlichting, of soortgelijke bezwaren (tegen het bezoeken van gevangene vrouwen
door dames van verschillende godsdienstige gezindheid) zich ook in meerdere of
mindere mate elders hebben doen kennen, en meer bepaaldelijk, hoedanig de
bevinding zij van liet genootschap » tot zedelijke verbetering der gevangenen ",
over de werking van dames-vereenigingen tot het bezoeken van vrouwelijke
gevangenen, en 20. om liet gevoelen van hoofdbestuurders te vernemen omtrent
hetgeen zou kunnen worden verrigt of beproefd, om deze aangelegenheid in het
algemeen op een gewenschten voet te regelen. Wij achten ons vereerd, aan dit
verlangen te mogen voldoen en bieden.
Uwer Exe. den slotsom onzer beschouwingen aan. Ad primum, kunnen wij met
blijdschap verklaren, dat wij tot hiertoe geen kennis dragen van soortgelijke
bezwaren in andere Dames Comi tés, als waarvan in het verslag van sprake is.
Evenwel moeten wij er bijvoegen, dat die bezwaren ons niet geheel konden
bevreemden. Toen in 1850 alhier de eerste cellulaire gevangenis geopend en ons
genootschap tot het bezoeken der afzonderlijk opgeslotenen geroepen werd, kwam
dezelfde kwestie onder onze bestuurders ter sprake: wat raadzamer was: dat ieder
gevangene door eigen kerkgenoot werd bezocht, of dat de bezoeker zich op een
algemeen godsdienstig standpunt plaatste en geen verschil van godsdienstige
gezindheid liet gelden bij zijn bezoek. Hierbij deed zich eenig verschil van
gevoelen kennen, maar de overgroote meerderheid vereenigde zich in den
laatstbedoelden zin, dat ons genootschap ook in dezen het algemeen godsdienstig
standpunt van zijne inrigting en werkzaamheid moest handhaven. In dien zin
arbeidde ons genootschap van de oprigting tot heden, - in alles, wat het
beproefde, -bij schoolonderwijs of gewone lektuur voor gevangenen, zonder
onderscheid van geloofsbegrip bij Christen of Israëliet, bij Roomschgezinden of
Protestanten.
Alleen waar 't hun onderwijs of lektuur op godsdienstig of kerkelijk terrein
gold, zocht het hulpe van de bijzondere godsdienstleeraars, en trachtte het,
zooveel mogelijk, naar hunne aanwijzing te voorzien in afzonderlijke
godsdienstige boeken voor Roomschen, voor Protestanten of voor Israëlieten. In
dien zin zochten wij in ons bestuur alle verschillende godsdienstige gezindheden
te doen vertegenwoordigen, gelijk later uit alle, zonder onderscheid,
medehelpers werden gezocht tot het bezoeken in de cellen. Eti met genoegen zagen
wij datzelfde principe handhaven bij de vereeniging van Dames-Comités, in
onderscheidene afdeel ingen. De ervaring drukte haar zegel op het aangenomen
principe. En wilden wij van dit principe afwijken om het tegenovergestelde te
volgen, dan zouden wij tot het onmogelijke gehouden worden, dat wil zeggen, dan
zouden wij moeten zorgen, dat bij Roomschen Roomschen, bij Janssenisten
Janssenisten, bij Evangelisch- en bij Her steld-Evangelisch-Lutherschen, bij
Gereformeerden en bij Remonstranten, bij Doopsgezinden en bij Afgescheidenen,
bij Nederduitsch- en bij Portugeesch-Israëlieten, ja bij iedere afzonderlijke
sekte, die zich telkens vermenigvuldigen, bestuurders en bezoekers kwamen van
elken bijzouderen naam. Dit ware dan consequent en billijk, maar hoe ware dit
mogelijk? Waar zou dit henen? Maar ook waartoe? De roeping van bezoekers of
bezoeksters uit de afdeelingen van het genootschap, »tot zedelijke verbetering
der gevangenen ", is niet op het terrein van geestelijken of godsdienstleeraars,
maar wel van algemeene godsvrucht en maatschappelijk belang bij het ontslag. Op
dit terrein kunnen zij, de ondervinding heeft het bevestigd, krachtig werken in
algemeen godsdienstigen zin. Het meerdere, op eigenlijk kerkelijk terrein, geldt
de roeping en taak van geestelijken of godsdienstleeraars, die nergens ontbreken
en overal hunnen pligt vervullen in de gevangenis.
Ieder moet zich binnen eigen werkkring houden, en wie der bezoekers of
bezoeksters zich hiermede niet bevredigen wil, ontsla zich liever van eene taak,
waartoe men zich vrijwillig verbond, dan door te groeten ijver anderen te
belemmeren of het goede tegen te werken, omdat men het betere, dat men zich
voorstelde, niet bereiken kan. Zoolang de dames-vereenigingen zich in dien
zelfden geest en zin bewegen bij haar bezoek van cel-gevangenen, achten wij hare
medewerking op hoogen prijs. Zij hebben meer tijd dan heeren bezoekers. Haar
taak is ook veel kleiner van omvang. En . . . mag ééne uit velen worden genoemd,
die hier en elders niet alleen veel tijd en moeite, maar ook groote geldelijke
opofferingen veil hebben bij hare zorg voor gevangene en ontslagene vrouwen.
Maar, hoe smartelijk 't ons vallen zou, liever zouden wij in het algemeen belang
van ons genootschap en het. doel, waaraan het werken moet, de medewerking missen
van elk, die hare roeping in ons genootschap miskent of in godsdienstig
exclusiven geest meent te moeten werken, dan het algemeen godsdienstig standpunt
opgeven, waarop ons genootschap moet blijven staan tegenover den Staat en de
gevangenen van dien Staat. Hierin ligt reeds ons eenparig oordeel uitgesproken
over de werking der damesvereenigingen, aan wier ijverige bemoeijingen wij
jaarlijks de plaatsing van vele ontslagenen in onderscheidene betrekkingen te
danken hebben.
En wat Ad secundum, het tweede punt betreft: n wat zou kunnen worden verrigt of
ben proefd, om deze aangelegenheid in het aln gemeen op een gewenschten voet te
regenlen," nemen wij de vrijheid, de aandacht van Uwe Excellentie te bepalen op.
twee maatregelen, waarvan de eene van de Regering, de andere van ons genootschap
zou moeten uitgaan. Van de Regering -door eene circulaire aan alle eommissien
van administratie, inzonderheid over cellulaire gevangenissen, waarbij zij
uitgenoodigd worden, om de comités van heeren en van dames tot het bezoeken der
gevangenen, bij missive te herinneren aan de bepalingen in de reglementen over
de gevangenissen onder haar beheer: dat men zich hij het bezoek zorgvuldig
onthoude van al, wat in godsdienstigen of kerkelijken zin, regtstreeks behoort
tot de roeping van godsdienstleeraars, onder bijvoeging: dat de commissien, tot
de handhaving dier reglementen veipligt, anders bij afwijking van dit beginsel,
in de droeve noodzakelijkheid zouden komen, om aan de gevangenen de toespraak
der comités te onthouden. Van ons genootschap - door do vaststelling van
algemeene beginselen voor alle comités van bezoekers en bezoeksters, waarin het
principe van algemeen-godsdienstige opwekking tot 'godsvrucht en deugd wordt
aangewezen.
Zulk eene aanwijzing, waarvan wij de eer hebben Uwer Excell. hij dezen een
afschrift aan te bieden (bijl. B), zou in vereeniging met do bovenbedoelde
uitnoodiging der commissien van administratie, kunnen dienen, om voor het
vervolg dergelijke bezwaren als te oprezen, v6ór te komen, en, waar zij reeds
bestaan moten, op te heffen, al moest 't zijn door het aftreden van bezoekers of
bezoeksters, die zich met het aangenomen standpunt niet konden of wilden
vereenigen. Met vrijmoedigheid hebben wij Uwe Excellentie onze gedachten
medegedeeld. Wij vleijen ons, hiermede aan het verlangen der Regering voldaan te
hebben, en zullen ons verheugen naar mate 't ons gegund worde, de weldadige
zorgen van Uwe Excellentie voor de gevangenen in het Rijk krachtdadig te
ondersteunen door volhardonden ijver tot hunne zedelijke verbetering. Wij nemen
deze gelegenheid waar, om Uwe Excellentie te verzekeren van onze bijzondere
hoogachting en zegenbede over Uwen gewigtigen werkkring. Hoofdbestuurders van
het Nederlandsehe genootschap : Tot zedelijke verbetering der gevangenen. In
hunnen naam, (geteekend) A. A. STUART. Secretaris Amsterdam, den Oden April
18C0. Voor kopij conform, De Secretaris-Generaal bij het Departement van
Justitie. (geteekend) nE JONGE
N°. 12 B. Aanhangsel der Circulaire van den 23sten Mei 1860, n°. 100. ALGEMEENE
BEGINSELEN bij het bezoek van gevangenen in de cel, van vege het Nederlandsche
Genootschap: tot zedelijke verbetering der gevangenen. 1°. Elke afdeeling, waar
de afzonderlijke opsluiting geheel of gedeeltelijk is ingevoerd, tracht nevens
de Leden des Bestuurs, die zich belasten met het bezoek der mannelijke
gevangenen, een damescomité te vereenigen tot het bezoek van vrouwelijke
gevangenen. 2°. Ieder, die zich hiertoe aansluit, handhaaft het algemeen
godsdienstig standpunt, waarop het Genootschap werkt, tot opwekking van
algemeenen godsdienstzin en behartiging van het maatschappelijk belang van
gevangenen en ontslagenen zonder onderscheid van geloofsverschil te laten gelden.
3°. Elk bezoeker of bezoekster verbindt zich tot nakoming van het bepaalde in
het Reglement over de Gevangenis, met betrekking tot het bezoeken der gevangenen,
zonder zich te plaatsen op het godsdienstig of kerkelijk terrein, waartoe de
onderscheidene godsdienst-leeraars of geestelijken geroepen worden. 4°. Het
Bestuur der afdeeling geeft van de eerste benoeming van het dames-comité kennis
aan het Hoofdbestuur, alsmede van de vervulling in elke vacature. 5°. Aan elk
nieuw te benoemen lid wordt een afdruk van deze Algemeens Beginselen aangeboden
tot kennisneming, vó6r de aanvaarding der betrekking. 6°. Ieder dames-comité kan
bij het Bestuur der afdeeling een subsidie aanvragen ten behoeve van ontslagene
vrouwen, onder verpligting van jaarlijksche rekening en verantwoording van
beheer, vóór 1 Februarij, aan bovengenoemd bestuur. Voor kopij conform. De
Algemeene Secretaris van het Genootschap tot zedelijke verbetering der
gevangenen. (geteekend) A. A. STUART. Voor kopij conform. De Secretaris-Generaal
bij het Departement van Justitie, (geteekend) DE JONGE.
N°• 13. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 29 sten Mei 1860, n°.
115, betrekkelijk statistieke opgaven aangaande den arbeid in huizen van
verzekering en huizen van arrest. Bij de behandeling der begrooting wegens den
arbeid der gevangenen, over 1860, is in de Tweede Kamer der Staten-Generaal
bijzonder de aandacht gevallen op den arbeid in de cellulaire gevangenissen en
in de huizen van verzekering en van arrest. Bepaaldelijk wenscht men te vernemen
wat door de cellulaire gevangenen wordt ver rigt en of in de preventive en
correctionele gevangenissen ook gelegenheid tot werken wordt gegeven, en of
zulks reeds tot een gunstig gevolg heeft geleid. Over een en ander zag men
gaarne bij nieuwe begrootingen eenige uitgewerkte tabellen of staten tegemoet.
Naar aanleiding daarvan verzoek ik de commissien van administratie en collegien
van regenten over de huizen van verzekering en huizen van arrest, mij wel zoodra
mogelijk eene tabellarische opgave van den arbeid der gevangenen, over 1859,
ingerigt volgens het model, waarvan ik de eer heb een zestal exemplaren
hiernevens te voegen (bijl. A), te willen doen toekomen. Daar deze opgave bij de
begrooting wegens den arbeid voor 1861 moet worden overgelegd, zullen de
commissien en collegien mij verpligten, haar uiterlijk tegen den 10den Julij
aanstaande aan mij in te zenden. De Minister van -'Justitie, Namens den
Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE.
No. 13 A. Aanhangsel der Circulaire van den 29sten Mei 1860, n°. 115. STAAT van
den arbeid in de huizen van verzekering en de huizen van arrest over 18 . .
N°' 14. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 29sten Kei 1860, n°.
117, betrekkelijk het voorzien in de voeding der zieke gevangenen, aanwezig in
huizen van verzekering. Het is mij gebleken dat de spijzen der zieke gevangenen
in de huizen van verze kering nog op verschillende wijze worden verstrekt, ende
deswege ontvangen berig, keten hebben mij overtuigd van de noodzalijkheid, dat
daarin op eenvormige en meer regelmatige wijze worde voorzien. In
overeenstemming met het advies van den inspecteur der gevangenissen, en na ook
deswege den inspecteur van de geneeskundige dienst der landmagt te hebben
gehoord, acht ik het, ter bereiking van het oogmerk, meest doelmatig, do
voedingswijze der zieke gevangenen, zoo als die voor de strafgevangenissen, bij
ministeriele resolutie van den 17den December 1842, is vastgesteld, ook in de
huizen van verzekering in te voeren, en de verstrekking der spijzen door het
eigen beheer te doen geschieden.
Ik heb mitsdien nopens deze aangelegenheid het besluit genomen (bijl. A),
waarvan ik mij de eer geve, met het daartoe behoorende register lit. A (bijl.
B), de noodige exemplaren hiernevens te voegen. Voorts gaan mede hierbij de
noodige exemplaren der bij gemelde resolutie vastgestelde voedingswijze (bijl.
C), en van de daartoe betrekkelijke modellen n°. 12 en 13 (bijl. D en E). Mij
aan deze stukken gedragende, verzoek ik de Heeren Commissarissen des Konings in
de provincien, die aan de commissien van administratie over de huizen van
verzekering te willen mededeelen, en haar uit te noodigen, de vereischte
maatregelen te willen nemen, ten einde dien overeenkomstig de spijzen der zieke
gevangenen, te rekenen van den lsten Julij aanstaande, door het eigen beheer
worden verschaft. Het zal mij aangenaam zijn berigt des wege van UHEG. te
ontvangen. De Minister van Justitie, Namens den Minister, De Secretaris-Generaal,
(getoekend) DF JONGE.
N°. 14 A. Aanhangsel der circulaire van den 29sten Mei 1860, n°. 117. DE
MINISTER VAN JUSTITIE, Overwegende dat de voorziening in de voeding van zieke
gevangenen in de onderscheidene burgerlijke en militaire huizen van verzekering
thans nog op verschillende wijze plaats heeft, en dat, tot bevordering van
eenvormigheid en vereenvoudiging in het beheer, regeling op eenparigen voet
wenschelijk is; Gehoord den inspecteur der gevangenissen ; Gelet op het advies
van den inspecteur van de geneeskundige dienst der landmagt, van den 3den Mei
1860, no. 20; Heeft goedgevonden en verstaan het navolgende te bepalen;
Art. 1. In alle burgerlijke en militaire huizen van verzekering heeft de
voorziening in de voeding van zieke gevangenen plaats door het eigen beheer.
Voor de voedingswijze der zieke gevangenen worden de bepalingen, vastgesteld bij
ministeriele resolutie van den 17den December 1842, in acht genomen, behoudens
het bepaalde bij art 5 van dit besluit.
Art. 2. De directeur van het gesticht is, onder het toezigt der commissie van
administratie en van den geneesheer, belast met de zorg voor de voeding der
zieke gevangenen. De geneesheer geeft van de aanmerkingen, die bij hem ten
aanzien dier voeding ontstaan, schriftelijk kennis aan de commissie van
administratie, die naar bevind van zaken de noodige voorzieningen treft.
Art. 3. De benoodigdheden voor de ziekenvoeding worden in de jaarlijksche
openbare aanbesteding van de voeding der gevangenen opgenomen.
Art. 4. De benoodigdheden, welke blijken in de openbare aanbesteding niet te
kunnen worden opgenomen, worden op de voordeeligste wijze aangeschaft. De
goedkeuring der op deze wijze geleverde benoodigdheden geschiedt door den
directeur. De declaratien van leveranciers, wegens de levering der evenbedoelde
benoodigdheden, worden aan het Departement van Justitie ter verevening
ingezonden.
Art. 5. Met wijziging van art. 12. der bij art. 1 van dit besluit vermelde
resolutie, zullen de spijzen voor den volgenden', dag daags te voren bij de
morgen-visite op eene voedingslijst, volgens model n°. 12, worden voorgeschreven,
waaruit zij op eene verzamelingslijst, volgens het gewijzigd model ne. 13, door
den geneesheer opgemaakt, naauwkeurig zullen worden overgebragt, om des morgens,
vóór 12 ure, aan het bureau van den directeur te worden bezorgd. De
verzamelingslijsten worden door de commissie van administratie, bij de
verificatie der declaratien van geleverde benoodigdheden voor de ziekenvoeding,
geraadpleegd.
Art. 6. Elke levering van benoodigdheden voor de ziekenvoeding wordt door defi
directeur aangeteekend in een register, hetwelk, ingerigt volgens model lit. A,
gewaarmerkt en gekantteekend wordt door den vice-president of secretaris der
commissie van administratie. Bij de verificatie der declaratien wordt dit
register, dat op het bureau van den directeur wordt bewaard, door de commissie
mede geraadpleegd.
No. 14 B. Aanhangsel der Circulaire van den 29sten Mei 1860, no. 117. Art. 7.
Elke levering van benoodigdheden voor zieke gevangenen door beambten der
gevangenissen is verboden. Art. 8. In gevangenissen, waar ter bereiding der
ziekenvoeding voorziening noodig is, wordt daartoe door de commissie van
administratie eene aanvrage of een staat van extra werken aan het Departement
van Justitie ter goedkeuring ingezonden. Art. 9. Dit besluit treedt in werking
op den asten Julij 1860. Gedurende het tweede halfjaar van 1860 zal volgens het
bepaalde bij art. 4 gehandeld worden. 's Gravenhave, den 29sten Mei 1860. De
Minister voornoemd, (geteekend) GODEFROI. Voor kopij conform, De
Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE.
No. 14 C. Aanhangsel der Circulaire van den 29sten Mei 1860, n°. 117.
MINISTERIELE RESOLUTIE van den 17den December 1842. VOEDINGSWIJZE der zieke
gevangenen.
Art. 1. De uitdeeling der spijzen zal drie malen daags, 's morgens van 10. April
tot 10. October ten zeven ure, gedurende de overige maanden ten acht ure
geschieden ; en het geheele jaar door des ochtends ten tien ure, en na den
middag ten vier ure, in het bijzijn van den opzigter der infirmerie, onder het
toezigt van den bewaarder (of van de bewaardster) in het bijzonder voor de
dienst der ziekenkamers bestemd.
Art. 2. De spijzen zullen naar hare hoedanigheid in gewone en ligte spijzen
verdeeld worden ; en deze in ligte vette en ligte magere spijzen.
Art. 3. Men zal de spijzen in verschillende portien uitdeelen, als in: geheele,
drie kwart, halve, drie achtste en portie ligte spijs, welke door maat en gewigt
zullen worden bepaald.
Art. 4. De gewone spijzen zullen bestaan: 1°. uit munitiebrood voor de geheele
en drie kwart portien, en wit brood voor de halve en drie achtste portien; 2°.
uit soep, bereid uit vleesch en groenten, door rijst, gort of wit brood, lijvig
gekookt. De soep te bereiden den lsten dag uit vleesch, gort en groenten, » 2den
» » id., rijst » id. » 3den » » id., wit brood en id. en zoo vervolgens. 3°. uit
gekookt vleesch; 4°. Uit zoogenaamde ratatouille of potage, zamengesteld uit
aardappelen met wortelen, knollen, kool, zuurkool, of met andere groenten, die
het jaargetijde medebrengt en voor oenen matigen prijs verkrijgbaar zijn.
Art. 5. De ligte vette spijzenzullen bestaan: 1°. Uit wit brood. 2°. Uit enkele
bouillon of rijst met bouillon. 3°. Uit eijeren. 4°. Uit gebraden vleesch. 5°.
Uit aardappelen, gestoofd met bouillon. 6°. Uit groenten, gestoofd met boter. De
ligte magere spijzen zullen bestaan 1°. Uit wit brood. 2°. Uit tarwebloem,
gekookt in karnemelk. 3° Uit tarwebloem, gekookt in zoetemelk. 4°. Uit rijst,
gekookt in zoete melk. 5°. Uit gestoofde pruimen met suiker. 6°. Uit gestoofde
appelen of peren met suiker.
Art. 6. De verschillende spijzen zullen op de volgende wijze worden uitgereikt,
als De gewone spijzen. Des ochtends ten zeven of acht ure de helft van het
voorgeschrevene brood met boter en thee; ten tien ure de soep, en na den middag
ten vier ure de andere helft van het brood zonder boter, de ratatouille of
potage en het vleesch, benevens de bepaalde hoeveelheid bier of wijn. De ligte
spijzen. 's Morgens ten zeven of acht ure de helft van het voorgeschrevene wit
brood met boter en thee ; ten tien ure voor iedere zieke één der volgende
artikelen, als: enkele bouillon, rijst met bouillon, eijeren, karnemelks-pap,
rijstemelks-pap, bloempap of pruimen ; en na den middag ten ten vier ure de
andere helft van het voorgeschrevene wit brood zonder boter, en voor ieder zieke
één der volgende artikelen, als : enkele bouillon, rijst met bouillon, eijeren,
karnemelks-pap, rijstemelkspap, bloem-pap, gestoofde pruimen, appelen of peren,
aardappelen gestoofd met bouillon, of groente gestoofd met boter en gebraden
vleesch.
Art. 7. De hoeveelheden der spijzen, toespijzen en dranken, welke voor de zieken
verstrekt kunnen worden, zijn bepaald als volgt: Aanmerkingen op het bereiden
der spijzen en het voorschrijven derzelve.
Art. 1. Van het vleesch, hetwelk bestemd is voor de zieken, aan welke de gewone
spijzen en ligte vette spijs worden voorgeschreven, te weten twee en een half
onc per zieke, zal de eene helft dienen tot het bereiden der vleeschsoep en de
andere helft deels tot het maken van de bouillon en deels tot gebraad ; tot dit
laatste zal kalfsvleesch kunnen worden genomen, mits de daartoe vereischte
hoeveelheid het vierde gedeelte van al het benoodigde vleesch niet te boven
ga.0,25 pond vleesch per zieke, die gewone en ligte vette spijs bekomt. Geen
vleesch voor de zieken, die ligte magere spijzen ontvangen.
Art. 2. De gewone soep en de bouillon zal des morgens om vijf ure aan de kook
moeten zijn.
Art. 3. De hoeveelheid water voor de bereiding van de bouillon moet berekend
worden op 1`/2 Nederlandsche kan water voor ieder Nederlandsch pond vleesch.
Art. 4. Het gekookte vleesch uit de soep en bouillon zal, nadat het van zijne
beenderen en peesachtige doelen ontdaan is, in de voorgeschrevene hoeveelheden
aan de zieken worden uitgedeeld.
Art. 5. Van den 16den Juli of van het tijdstip af dat er nieuwe aardappelen
worden geleverd, tot en met den 15den April, zullen de bepaalde portsen van 80,
70 en 60 met 20 looden groente voor de zieken worden verstrekt ; en van den
16den April tot en met den 15den Julij, of wel zoo lang nog van oude aardappelen
gebruik wordt gemaakt, zullen de bepaalde portien van 90, 80 en 70 looden
aardappelen met 25 looden groenten worden gegeven.
Art. 6. De aardappelen voor de gewone en ligte spijzen, do wortelen en knollen,
zullen ongeschild en ongeschrapt, doch ontdaan van het loof, van de klei en
aarde, gewogen worden; de overige groenten zoodanig als dezelve gewoonlijk
worden verkocht, echter mede leverbaar en gezuiverd, en de zuurkool zal,
alvorens te worden gewogen, vooraf tusschen de beide handen van den pekel worden
ontdaan.
Art. 7. De bepaalde hoeveelheid zout voor iederen zieke zal zoowel voor de
gewone als ligte spijzen moeten dienen.
Art. 8. Voor de ratatouille of potage zal dan alleen de azijn verstrekt worden
wanneer de geneesheer deze voorschrijft.
Art. 9. Aan de zieken, welke gedurende den dag in de infirmerie worden opgenomen,
en voor wie derhalve geene voedingsmiddelen in den ketel zijn gedaan, kan
hetgeen van soep, vleesch, potage en bouillon overgebleven is, worden uitgedeeld,
en bovendien kan voor hen het noodige munitie- en wit brood en de vereischte
portie bier worden voorgeschreven.
Art. 10. Hetgeen van soep, vleesch, potage en bouillon na uitdeeling aan de
zieken zoo als voorgeschreven, overblijft, zal den volgenden dag in de soep
worden gedaan.
Art. 11. Er zullen, met uitzondering van de enkele bouillon en de eijeren,
dagelijks, 's morgens en 's middags, telkens niet meer dan twee verschillende
soorten van ligte spijzen mogen worden geschaft. De portie wit brood voor de
zieken, welke ligte spijzen genieten, en de portie gebraden vleesch voor de
zieken, waaraan ligte vette spijzen worden toegediend, zullen niet verstrekt
worden, wanneer zij niet speciaal zijn voorgeschreven; met verdere bemerking,
dat het gebraden vleesch aan de zieken, welke eijeren genieten, niet zal mogen
worden verstrekt.
Art. 12. De spijzen voor den volgenden dag zullen daags te voren bij de
morgenvisite op eene voedingslijst, volgens model no. 1, worden voorgeschreven,
waarvan zij op eene verzamelingslijst, volgens model n°. 2, door den
adsistent-chirurgijn zullen worden overgebragt, om des morgens vóór twaalf ure
aan het bureau van den kommandant te worden bezorgd; zullende deze
verzamelingslijst bij de avond-visite door den geneesheer voor goedkeuring
geteekend worden, na zich alvorens te hebben verzekerd, dat de voorgeschrevene
portien spijs en drank uit de voedingslijst daarin behoorlijk zijn overgebragt.
Art. 13. De geheele portien zullen slechts twee dagen vóór dat de zieken de
infirmerie. verlaten, mogen worden voorgeschreven ; in enkele gevallen echter
zullen dezelve aan gekwesten, welke zeer sterk etterende wonden hebben, kunnen
worden toegestaan.
Art. 14. De wijn zal alleen in de bepaalde hoeveelheden aan zoodanige zieken
worden voorgeschreven, wier toestand dit -bijzonder vereischt; en bij
uitzondering kan eene grootere hoeveelheid wijn voor zoodanigen zieke worden
voorgeschreven, wiens bijzonderen toestand het vordert; behoudens daaromtrent
eene schriftelijke verklaring af te geven, met vermelding van de reden waarom,
welke bij de verantwoording moet worden overgelegd. Drank. Tot gewone drank
zullen de zieken bekomen des ochtends thee en door den dag gerstewater met
zoethout; en aan enkele zieken, voor wien de geneesheer liet noodig zal
oordeelen, kan ééns per dag koffij met zoete melk worden gegeven.
Tot de thee wordt verstrekt voor eiken zieke 11/2 wigtje zwarte thee,
afgetrokken tot 25 vingerhoeden, met een vingerhoed zoete melk. Voor de koffij
zal gegeven worden 8 wigtjes gemalen koffij op 25 vingerhoeden water, met een
vingerhoed zoete melk. Het gerstewater, dat door den dag aan eiken zieke
verstrekt wordt, zal bestaan uit 15 wigtjes gort en vier wijtjes zoethout, met
de noodige hoeveelheid regenwater, verkookt op een Nederlandsche kan vocht;
zullende een halfuur vóór dat de gort volkomen gaar gekookt is, het zoethout
eerst er worden bijgevoegd, en het vocht vervolgens worden doorgezegen, waarna
bijdeze hoeveelheid gerstewater vier vingerhoeden zoete melk zal worden gevoegd.
Aldus voorgedragen door mij inspecteur van de geneeskundige dienst der landwagt.
'sGravenhage, den 27sten Augustus 1842. (geteekend) BECKEns. Gezien en
goedgekeurd. 'sGravenhage, den 17den December 1842. De Minister van Justitie, (geteekend)
VAN HALL. Voor eensluidend afschrift, De Secretaris-Generaal bij het
Departemnent van Justitie, (geteekend) MULLER.
Na. 1.1 D. Aanhangsel der Circulaire van den 29sten Mei 1860, n 117. (Model n°.
12.) Fel. HUIS VAN te LIJST der voorgeschrevene SPIJZEN voor zieke gevangenen op
den 186 . Getal zieken of gekwetsten in de nevensvermelde zalen, aanwezig
NOMMERS DER ZALEN. N°. der ZAAL. NOMMERS DER KRIBBEN. NAMEN DER ZIEKEN. No 's
Morgens. 's Namiddags. No. 14 E. Aanhangsel der Circulaire van den 29sten Mei
1860, no. 117. GEVANGENHUIS te Model no. 13a VERZAMELING uit de listen der
voorgeschrevene levensmiddelen ten behoeve der zieken op den 18 AANTAL
GEVANGENEN......... VOORGESCHREVENE PORTIEN VOOR TOTAAL. 's mor- gens. 's namid
dags. GEWONE SPIJZEN. Munitiebrood. geheele................. Portien drie vierde..............
Wittebrood. halve Portien drie achtste ligte spijs Zieken zonder brood Totaal
der portien brood en zieken zonder brood . . Boter. geheele drie vierde Portien
halve drie achtste ligte spijs Vleeschsoep. geheele drie vierde Portien halve
drie achtste Ratatouille of potage. geheele drie vierde Portien halve drie
achtste Transportere
N°• 15. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 5den Juni 1860, n°.
101, betrekkelijk de verslagen van het openbaar ministerie ten opzigte van
verzoeken om gratie. Voor eene behoorlijke beoordeeling van de aan Zijne
Majesteit den Koning ingediende verzoeken om gratie is de kennis noodig der
bijzonderheden, vermeld bij art. 5 van het Koninklijk besluit van den 2lsten
October 1856 (Staatsblad n°. 95). Intusschen kan die kennis niet altijd uit de
adviezen worden verkregen. Vooral ontbreekt daaraan bij sommige kantonregters en
regterlijke collegien meermalen de korte omschrijving, bij art. 5 van het
aangehaald besluit bedoeld, en bepalen zich de adviezen te dien aanzien tot
verwijzing naar het bij art 2 vermelde verslag van het openbaar ministerie, welk
verslag intusschen dikwerf de omschrijving van het gepleegd feit en van de
omstandigheden waaronder het gepleegd is, doet bestaan in de enkele opgave van
de qualificatie van het misdrijf, zoo als dit in het vonnis voorkomt, terwijl
toch art. 5 blijkbaar bedoelt de opgave van het materieel feit, vergezeld van de
aanwijzing van die omstandigheden, waaronder het feit is gepleegd, wier kennis
noodig is voor de appreciatie der vraag of geheele of gedeeltelijke gratie al
dan niet moet worden verleend.
Ofschoon nu het regterlijke advies den grondslag uitmaakt voor do uitoefening
van het regt van gratie, kan en dient het verslag van het openbaar ministerie de
volledigheid van het advies in het hier besproken opzigt zooveel mogelijk
bevorderlijk te zijn, en heb ik mitsdien de eer de heeren procureurs-generaal
bij de provinciale geregtshoven te verzoeken, de ambtenaren van het openbaar
ministerie in hunne provincie, onder mededeeling van een afdruk dezes, uit te
noodigen, om bij hunne ten opzigte van ieder verzoek afzonderlijk uit te brengen
verslagen, in den geest van het hiervoren opgemerkte, zoo naauwkeurig mogelijk
te voldoen aan den inhoud, zoowel van art. 4 als van art. 5 van het Koninklijk
besluit van 21 October 1856 (Staatsblad n°. 95). De Minister van Justitie, (geteekend)
GODEFaOI.
No. 21. Bij missive van den 27sten Julij 1860, no. 117, heeft de Minister van
Justitie aan het Collegie van Regenten over een huis van arrest toegezonden de
onderstaande voorschriften nopens den arbeid in het gesticht. VOORSCHRIFTEN
nopens den arbeid in het huis van arrest te
1°. De in te voeren arbeid is, in den regel, bestemd voor correctioneel
veroordeelde gevangenen. Het collegie van regenten zal echter uitzonderingen
kunnen maken ten gunste van zoodanige onveroordeelde gevangenen, of reeds naar
de regtbank verwezen of in staat van beschuldiging gestelde personen, die
verlangen mogten aan dien arbeid deel te nemen, telkens wanneer daartegen bij de
bevoegde regterlijke ambtenaren geene bedenkingen bestaan.
2°. De arbeid zal kunnen bestaan in het spinnen en haspelen van vlas en snuit,
ten dienste van het fabriekwezen in de strafgevangenis te in brei- en naaiwerk
ten dienste van den arbeid in de strafgevangenis te en in andere werkzaamheden
voor rekening van particulieren, mits deze, evenals de evengenoemde rijksarbeid,
geschikt zijn om door den eenzaam opgesloten gevangene te worden verrigt.
3°. Onder geen voorwendsel hoegenaamd ter zake van dien arbeid, zal van de
afzonderlijke opsluiting der gevangenen mogen worden afgeweken.
4°. De cipier en de bewaarder der gevangenis zijn belast met het toezigt over
den arbeid.
5°. De cipier is aansprakelijk voor de bewaring der ruwe en verwerkte
grondstoffen, mitsgaders van de spinnewielen met haspels, welke van wege de
administratie der gevangenissen zullen worden verstrekt. Deze gereedschappen
zullen steeds voltallig en in goeden staat moeten worden gehouden. De gevangenen
spinners zullen 7/10, der waarde vergoeden van de volgende aan hen verstrekte
gereedschappen, als: spinspillen, klossen, nokken, vlugten en snaren; terwijl de
overblijvende 3/10, benevens de volle waarde van de verdere benoodigdheden tot
onderhoud der spinnewielen en haspels, ten laste der administratie van den
arbeid verblijven. In deze behoefte zal worden voorzien uit het magazijn van den
arbeid in de strafgevangenis te waartoe regenten, bij de aanvragen om vlas aan
den directeur over den arbeid in gemelde gevangenis, telkens, zooveel noodig,
opgave zullen doen van de verlangde spingereedschappen; en zullen regenten
voorts maatregelen nemen ten einde de kosten daarvan, zooveel die ten laste van
de gevangenen spinners komen, van hun verdiend arbeidsloon worden gekort,
volgens de factuur deswege door den directeur aan regenten toe te zenden. Het
gezamenlijk bedrag dier kortingen zal tegen het einde van elk dienstjaar in 's
Rijks schatkist gestort, en de kwitantie daarvan door regenten aan het
Departement van Justitie ingezonden worden.
6°. Voor zooveel betreft den arbeid voor Rijks rekening, zullen de directeuren
over den arbeid in de strafgevangenissen te de benoodigde grondstoffen franco
toezenden aan het collegie van regenten ; terwijl naar gelang van de opbrengst
van den arbeid , het vervaardigde een- of tweemaal 's maands ongefrankeerd aan
de gemelde ambtenaren zal worden teruggezonden, begeleid door eene werklijst,
eene splitsinglijst van het arbeidsloon en een mutatiestaat der gevangenen, die
aan den arbeid hebben deel genomen, door den cipier op te maken naar de
bestaande modellen, hem door de directeuren voornoemd te verstrekken.
7°. Het arbeidsloon, berekend naar het algemeen tarief, gearresteerd bij
ministeriele dispositie van den 8sten December 1819 (waaruit hem een extract
door den directeur over den arbeid zal worden toegezonden), zal onmiddellijk na
elke bezending van het vervaardigde worden overgemaakt aan het collegie van
regenten door meergemelde directeuren over den arbeid, welke tevens de bevinding
van het afgeleverde zullen berigten.
8°. Met opzigt tot de verdeeling van het arbeidsloon in Rijks aandeel, zakgeld
en uitgaanskas zal het collegie handelen naar den inhoud der algemeene
bepalingen, welke bij het aangehaald tarief behooren, te weten ; 3/10, ten
behoeve van het Rijk; 3/10, voor zakgeld; en 3/10, voor uitgaanskas der
gevangenen-, behoudens de bevoegdheid van regenten,om, met betrekking tot de
voor zakgeld en voor de uitgaanskas bepaaldé' deelen van het arbeidsloon, in
bijzondere' gevallen, zoodanige wijzigingen toe te staan, als zij doelmatig en
gepast zullen oordeelen.
9°. Het arbeidsloon voor andere werkzaamheden, welke ten behoeve van
particulieren zullen kunnen worden verkregen, zal door het collegie van regenten
worden geregeld, en zullen de bij n°. 8 bedoelde bepalingen ook daarop
toepasselijk wezen. 's Rijks aandeel in dat loon ad 3/10, zal jaarlijks in 's
Rijks kas gestort en de kwitantie daarvan met eene gedetailleerde opgave van
dien arbeid aan het Departement van Justitie worden ingezonden.
No. 22 CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 9den Augustus 1860, n°.
90, betrekkelijk de verklaringen van autoriteiten ten aanzien van de
deugdelijkheid van schuldvorderingen. Ten einde te bevorderen, dat de
deugdelijkheid der schuldvorderingen ten laste van het Rijk steeds met de meeste
naauwkeurigheid en naauwgezetheid onderzocht worde, is goed gevonden, den in
afschrift hierbij gevoegden brief van de Algemeene Rekenkamer (bijl. A), ter
kennisneming aan de besturen van al de Rijks gevangenissen mede te deelen. De
Minister van Justitie, Namens den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend)
DE JONGE.
No. 22 A. Aanhangsel der circulaire van den 9den Augustus 1860, no. 90. MISSIVE
VAN DE ALGEMEENE REKENKAMER van den 25sten Junij 1860, n° 470 /72 F⅔„ gerigt aan
den Minister van Justitie. Zeer te regt heeft men, zoowel bij de Departementen
van algemeen bestuur, als bij de Algemeene Rekenkamer, ten aanzien der
deugdelijkheid der schuldvorderingen, gemeend in de verklaringen van de
autoriteiten in loco, onder wier oog en medewerking de vordering als het ware is
ontstaan, den besten waarborg te kunnen vinden. Men moest toch aannemen, dat
daarbij steeds met de meeste naauwkeurigheid en naauwgezetheid wierd te werk
gegaan, zoodat omtrent de waarheid van het in die verklaringen vermelde geen
twijfel mogelijk_ was. Tot haar leedwezen evenwel heeft de Algemeene Rekenkamer
opgemerkt, dat niet alle autoriteiten, die in het geval kunnen komen, van
zoodanige verklaringen te moeten afgeven, daarvan evenzeer zijn overtuigd;
immers uit de bijlagen eener dezer dagen bij haar ingekomen aanvraag van
betaling ten name van het burgerlijk armbestuur te is het haar gebleken, dat
zoowel de cipier van het huis van arrest te als het collegie van regenten over
dat huis, daarin hebben gehandeld met eene ligtvaardigheid, welke allezins
afkeuring verdient.
De declaratien van den aannemer wegens het onderhoud der gevangenen in het huis
van arrest te over de maanden Januarij en Februarij 1860, zijn, behalve door
eene verklaring van het collegie van regenten op do declaratien gesteld, boven
dien gestaafd door nominatieve staten der verpleegde gevangenen, opgemaakt door
den cipier van het huis van arrest en voorzien van eene verklaring van
accoord-bevinding, afgegeven door de regenten. Op die staten komt, onder anderen,
voor de gevangene voor de maand Januarij met 31 en voor de maand Februarij met
29 verpleegdagen, en dus telken male voor de volle maand. Aan den aannemer is
dien ten gevolge voor dat getal verpleegdagen dier gevangene de bedongen prijs
van 21 cents per dag toegekend en uitbetaald.
Thans blijkt uit eene declaratie van het burgerlijk armbestuur te mede voorzien
van eene verklaring van deugdelijkheid van het collegie van regenten over het
huis van arrest, dat de gevangene gedurende het tijdvak van 27 Januarij tot 5
Maart 1860 is verpleegd in het zieken gasthuis. Hier bestaan dus twee
verklaringen van dezelfde autoriteit in lijnregten strijd met elkander. De
omstandigheid, dat van de declaratie van liet zieken gasthuis wordt afgetrokken
het bedrag der reeds aan den aannemer uitbetaalde verpleegdagen, hetwelk dus
door hem schijnt te zijn teruggegeven, bewijst wel dat hier aan geene kwade
trouw kan gedacht worden, en dat men den beganen misslag heeft ontdekt en
getracht te herstellen; doch het feit, dat door den cipier een onjuiste staat
der verpleegden is opgemaakt, dat, zoo het schijnt, zonder voorafgaand onderzoek,
die staat door het collegie van regenten is goedgekeurd, en dat door dit een en
ander werkelijk aan den aannemer uit 's Rijks kas gelden zijn toegekend en
uitbetaald, waarop hij geen regt had, blijft, niettegenstaande de latere
terruggave dier gelden, in zijn geheel. Het nadeel, hetwelk het Rijk hier had
kunnen lijden, f 8.19, moge betrekkelijk gering geacht kunnen worden, de
handhaving evenwel van het beginsel, dat aan de opregtheid en juistheid voor
door Rijksautoriteiten af' te geven verklaringen geen twijfel mogelijk moet
kunnen zijn, rekent de Algemeene Rekenkamer van zooveel gewigt, dat zij uit dien
hoofde gemeend heeft Uwe Excellentie van het door haar opgemerkte niet onkundig
te kunnen of te mogen laten. De Algemeene Rekenkamer, (geteekend) SICCAMA, 1.
pr. Ter ordonnantie van dezelve, (geteekend) SPANJAARD. Voor kopij conform, De
Secretaris-Generaal bij het Departement van Justitie, (geteekend) DE JONGE.
N°• 23. MISSIVE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 23sten Augustus 1860, n°.
104, betrekkelijk de toepassing van art. 21 der wet van den 29sten Junij 1854 (Staatsblad
n°. 102), nopens den ingang der tuchthuis- en gevangenisstraffen, op de
kruiwagen- en militaire detentiestraffen. Na lezing van Uw Hoog Edel Gestrenge
schrijven van den 5den Junij 11., no. 27, in verband met den brief van mijn
ambtsvoorganger, van den llden Januarij 1859, n°. 145, heb ik de eer te kennen
te geven, dat ik mij wel vereenigen kan met de onder no. 223 door u aangegeven
punten: dat voor de burgerlijke gevangenisstraffen in appel niet de dag der
eerste uitspraak, maar de dag der pronuntiatievan het vonnis van den krijgsraad,
worde beschouwd als punt van aanvang der gevangenisstraf', en dat bij
goedgekeurde vonnissen bij alle gevangenisstraffen, ook de dag der pronuntiatie
van het vonnis, na bekomen goedkeuring, ofhet fiat executie worde beschouwd als
de aanvang voor den ingang der straf. Tegen liet onder n°. 1 door u aangenomen
beginsel, dat art. 21 der wet van den 29sten Junij 1854 (Staatsblad n°. 102)
niet behoort te worden toegepast op militaire gevangenisstraffen, bepaaldelijk
niet op de kruiwagenstraf en de militaire detentie, heb ik echter bedenking.
Ik erken gaarne, dat uit een streng regtskundig oogpunt gewigtige gronden voor
het door It voorgestaan beginsel geacht kunnen worden te pleiten. Intussehen is
de vraag, of er geen overwegende gronden van billijkheid bestaan, om de gunst,
die art. 21 der wet van 1854 verzekert aan veroordeelden ter zake van elke
andere gevangenisstraf, in favorem rei ook uit te strekken tot hen, die
veroordeeld zijn tot die soorten van gevangenisstraffen, welke hier te lande
worden ondergaan onder de namen van kruiwagenstraf en militaire detentie Ik
vermeen, dat die vraag toestemmend kan worden beantwoord en ben tevens van
oordeel, dat in de militaire straf wetgeving hier te lande geen bepalingen
gezegd kunnen worden aanwezig te zijn, welke bepaaldelijk verbieden of' beletten,
dat de met de ten-uitvoerlegging der kruiwagen- en detentiestraffen belaste
overheid ook ten haren aanzien art. 21 der wet van 1854 ten regel en leiddraad
neme. Het is dan ook daartoe, dat ik de eer heb Uw Hoog Edel Gestrenge mits deze
beleefdelijk uit te noodigen, en zulks onder weder overlegging der vroeger
medegedeelde stukken, welke ik nader van u zal terug verwachten (*). De Minister
van Justitie, (geteekend) GODEFROI. (*) Naar aanleiding van dit schrijven,
gerigt aan den advocaat fiscaal voor 's Koninge zee- en landmagt, heeft deze.
onder dagteekening van den 25sten September 1860, de volgende circulaire aan de
auditeurs militair en fiscalen op Zr. Ms. wachtschepen toegezonden. Ingevolge de
bestaande voorschriften wordt de gunstige bepaling van art. 21 der wet deze van
den 29sten Junij 1851 (Staatsblad n°. 102) nog niet toegepast op de militaire
gevangenisstraffen , kruiwagenstraf en militaire detentie, in dien zin, dat bij
veroordeelingen in appel als ingang der straf niet wordt gerekend de dag der
uitspraak van den eersten regter, maar die van de pronuntiatie der sententie in
hooger beroep. Deze ongelijkheid omtrent de militaire gevangenis
N°- 24. MISSIVE VAN DEN MINISTER VAN FINANCIEN van den 25sten Augustus 1860, no.
158, betrekkelijk het uitreiken aan cipiers van afschriften van akten van in-gevangenis-stelling
en ontslag uit de gijzeling van veroordeelden tot lijfsdwang, voor overtreding
van belastingwetten. De vraag heeft zich voorgedaan, of bij de toepassing van
het middel van lijfsdwang, op veroordeelden wegens overtreding der
belastingwetten, door den deurwaarder al dan niet een afschrift aan den cipier
moet worden uitgereikt van de door hem op te maken akten van in-gevangenis-stelling
en ontslag uit de gijzeling.
Uit de bepaling van artt. 606 en 607 van het ten deze toepasselijk Wetboek van
Burgerlijke Regtsstraffen met de burgerlijke gevangenisstraffen, insgelijks door
den militairen regter opgelegd, heeft aanleiding gegeven tot de vraag: .„ of er
geene overwegende gronden van billijkheid bestaan, om de gunst, die art. 21 der
wet van den 29sten Junij 1854 verzekert aan veroordeelden ter zake van elke
andere gevangenisstraf, in favorem rei ook uit te strekken tot hen, die
veroordeeld zijn tot die soorten van gevangenisstraffen, welke hier te lande
worden ondergaan onder de namen van hruisvagenstraf en militaire detentie. " Die
vraag is door Z. Exc. den Minister van Justitie toestemmend beantwoord, zijnde
welgemelde Minister tevens van oordeel, dat in de militaire strafwetgeving hier
te lande geen bepalingen gezegd kunnen worden aanwezig te zijn, welke
bepaaldelijk verbieden of beletten , dat de met de ten-uitvoerlegging der
kruiwagen- of detentiestraffen belaste overheid, ook ten haren aanzien art. 21
der wet van 1854 ten regel en leiddraad neme.
Ik vind geen bezwaar mij met die beschouwingen te vereenigen , en heb dien ten
gevolge de eer U Wel Edel Gestrenge uit te noodigen, bij de berekening van den
ingang der gevangenisstraf in appel, van militairen of burgerlijken aard, van nu
voortaan die gunstige beschouwing in aanmerking te nemen, terwijl tevens door U
Wel Edel Gestrenge zorg zal moeten worden gedragen, dat de bepaling van art. 21
voormeld tevens worde toegepast op die veroordeelden, welke na de in werking
brenging der wet van den 29sten Junij 1854 (Staatsblad n'. 182) reeds tot
kruiwagenstraf verwezen zijn en zich alsnog in hechtenis bevinden. vordering mag,
naar ik meen, niet zonder grond tot eene ontkennende beantwoording dezer vraag
besloten worden. Volgens no. 6 van eerstgemeld artikel moet den gegijzelde,
behalve een afschrift van het proces-verbaal van gijzeling, ook onmiddellijk een
afschrift der akte van in-gevangenis-stelling door den deurwaarder worden
overhandigd. Van het uitreiken van een dergelijk afschrift aan den cipier,
zwijgt de wet. Blijkens art. 607 moet de cipier, op vertoon van het betrekkelijk
vonnis door den deurwaarder, een uittreksel van dit vonnis in zijne registers
overschrijven.
Is die vertooning tot bedoelde inschrijving voldoende, dan kan de bij dat zelfde
artikel gevorderde inschrijving der akte van ingevangenis-stelling evenzeer op
vertoon dier akte geschieden. De opgave van den ingang van den straftijd zal dus
te hunnen aanzien moeten worden herzien. In toepassing evenwel van dit beginsel
op de voorkomende gevallen, meen ik te moeten opmerken, dat voor de
gevangenisstraffen in appel niet de eerste uitspraak, of die waarop het vonnis
is gewezen, maar de dag der pronuntiatie van het vonnis in den krijgsraad als
punt van aanvang der gevangenisstraf moet worden beschouwd. Ingevolge art. 224
toch van de regtspleging bij de landmagt en art. 208 van de regtspleging bij de
zeemagt, wordt het door den krijgsraad gewezen vonnis, indien het voor appel
vatbaar is, aan den veroordeelde gecommuniceerd en, indien hij van het appel
gebruik maakt, wordt het vonnis indien krijgsraadgepronnntieerd, zooals ook,
wanneer de advocaatfiscaal het appel interjecteert. Eerst door de pronuntiatie
gaat het vroeger gewezen vonnis tot de categorie der vonnissen over, waarvan
appel. Ten aanzien der vonnissen, welke aan 's Hoves goedkeuring zijn
onderworpen of van het fiat executie moeten worden voorzien, moet insgelijks de
dag der pronuntiatie van het vonnis in den krijgsraad, na bekomen goedkeuring of
het fiat executie, worden beschouwd als de aanvang voor den ingang der straf.
Want daar de pronuntiatie krachtens de approbatie of het fiat executie geschiedt,
bestaat het vonnis van den militairen regter eerst als regterlijke uitspraak, en
het is dus natuurlijk, dat eerst van dien dag de gevangenisstraf kan gerekend
worden aan te vangen. (Bijvoegsel tot het Staatsblad.) Het ontkennend antwoord
schijnt, behalve in deze bepalingen, ook hierin steun te vinden, dat de wet geen
bijzondere voorschriften bevat omtrent akten van ontslag uit de gijzeling.
Beteekening of kopijelijke mededeeling van zoodanige akte mag dus als overtollig
worden aangemerkt. U Wel Ed. Gestr. gelieve te zorgen, dat voortaan in
overeenstemming met de onderwerpelijke aanschrijving worde gehandeld, en dat de
kosten, die uit het veronachtzamen van dit voorschrift zouden voortvloeijen, in
allen gevalle niet in rekening worden geleden. De Minister van Staat en van
Financien, (geteekend) VAN HALL.
N°' 25. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 28sten Augustus 1860,
n°. 118, betrekkelijk de verschotdeclaratien van de directeuren der huizen van
verzekering. Bij de verificatie der bij mijn departement inkomende declaratien
van directeuren van huizen van verzekering, wegens gedane verschotten, is
gebleken, dat op sommige dier stukken ook voorkomen uitgaven wegens aanschaffing
van benoodigdheden voor liet onderhoud der gevangenen. Naar de regelen der
comptabiliteit zijn zoodanige uitgaven niet geschikt om bij wijze van
voorschotten aan het Rijk in rekening gebragt te worden, doch behooren te dier
zake steeds ingezonden te worden de declaratien van de leveranciers, welke die
benoodigdheden hebben geleverd.
Op de declaratien van directeuren wegens gedane verschotten zullen alzoo in het
vervolg alléén kunnen gebragt worden zoodanige onderwerpen, waarvan geene
declaratien van leveranciers kunnen worden opgemaakt, als: reisgelden, verstrekt
aan ontslagen gevangen, vrachtkosten, briefporten, dagloonen van gevangenen, en
dergelijke; en zullen bij gevolg daarop. geene aankoopen van benoodigdheden voor
het onderhoud der gevangenen of voor de dienst van het gesticht mogen voorkomen.
Ik verzoek de commissien van administratie over de huizen van verzekering
hiervan aan den directeur van het onder haar beheer staande gesticht te willen
kennis geven, met last, om voortaan dienovereenkomstig te handelen. De Minister
van Justitie, Namens den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE.
N°. 26. KONINKLIJK BESLUIT van den 29sten Augustus 1860 (Staatsblad n°. 50),
bepalende de plaatsing in het Staatsblad van de additionele overeenkomst
tusschen Nederland en Frankrijk op den 2den Augustus 1860 gesloten, ter
aanvulling van het bestaand verdrag tot wederkeerige uitlevering van misdadigers,
van den 7den November 1844. WIJ WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER
NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ.,
ENZ. . Gezien de additionele overeenkomst tusschen Nederland en Frankrijk, ter
aanvulling van het bestaand verdrag tot wederkeerige uitlevering van misdadigers,
d.d. 7 November 1844, op den 2den Augustus 1860 door de wederzijdsche
gevolmagtigden te 's Gravenhage gesloten, en welke additionele overeenkomst
luidt als volgt: VERTALING.
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en Zijne Majesteit de Keizer der
Franschen, nuttig geoordeeld hebbende zich te verstaan ten aanzien eener
additionele. overeenkomst op die, den 7den November 1844 te 'sGravenhage
gesloten, voor de wederkeerige uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde
van Hunne volmagt voorzien, te weten Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden,
den heer mr. Jules Philippe Jacques Adrien Graaf van Zuylen van Nyevelt, Ridder
der orde van den Nederlandschen Leeuw, Grootkruis der orde van den Verlosser,
Ridder der lste klasse van de orde van Medjidié, Kommandeur der orde van
Leopold, Hoogt.sdeszelfs Kamerheer en Minister van Buitenlandsche Zaken; en
Zijne Majesteit de Keizer der Franschen, den Graaf de Sartiges, Grootofficier
der Keizerlijke orde van het Legioen van Eer, enz., enz., enz., Hoogstdeszelfs
buitengewoon Gezant en gevolmagtigd Minister bij het Hof der Nederlanden ; die,
na elkander hunne volmagten, welke in goeden en behoorlijken vorm bevonden zijn,
te hebben medegedeeld, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen
Art. 1. Art. 5 der overeenkomst van 7 November 1844 wordt aldus gewijzigd: De
uitlevering zal worden aangevraagd langs den diplomatieken weg, en alleen worden
toegestaan op vertoon van een authentiek afschrift van het vonnis of van het
arrest van veroordeeling of van in staat van beschuldiging stelling, of van het
bevel van gevangenneming, afgegeven in de vormen, voorgeschreven door de
wetgeving van het land, welks Regering de aanvrage doet.
Art. 2. De twee overeenkomende Regeringen zullen, ook vóór de overlegging van
het bevel van gevangenneming, de dadelijke en voorloopige in hechtenis stelling
kunnen aanvragen, van den vreemdeling, wiens uitlevering wordt geëischt. Deze
voorloopige in hechtenis stelling, welke overigens geheel facultatief is, zal
geschieden in de vormen en volgens de regelen, voorgeschreven door de wetgeving
van liet land, waar zij plaats heeft. De vreemdeling zal in vrijheid worden
gesteld, indien hij binnen veertien dagen, te rekenen van dien zijner in
hechtenis stelling, geene mededeelbng ontvangt van het bevel van gevangenneming.
Art. 3. Met betrekking tot de toepassing van art. 3 der overeenkomst van 7
November 1844 is verstaan, dat niet als een staatkundig misdrijf, noch als eene
daad met zoodanig misdrijf in verband staande, zal worden aangemerkt de aanslag
tegen den persoon van eenen vreemden Souverein of van de leden zijner familie,
wanneer die aanslag bestaat in moord, vergiftiging of moedwilligen doodslag.
Art. 4. De tegenwoordige additionele overeenkomst zal in de beide Staten worden
afgekondigd terstond na de uitwis,eling der bekrachtigingen, welke zal plaats
hebben binnen den termijn van drie weken, of zoo mogelijk vroeger. Zij zal in
werking treden tien dagen na dien harer afkondiging. Zij zal denzelfden duur
hebben als de overeenkomst van 7 November 1844, waarbij zij behoort, en de beide
overeenkomsten zullen geacht worden door de opzegging der eene, gezamenlijk
opgezegd te zijn. Ten blijke waarvan de wederzijdsche gevolmagtigden haar hebben
onderteekend en van het zegel hunner wapenen voorzien. Gedaan te 's Gravenhage,
den tweeden Augustus achttien honderd zestig. (get.) VAN ZUYLEN VAN NYEVELT.
(L. S.) » SARTIGES (L. S.) Sa Majesté le Roi des Pays-Bas et Sa Majesté
l'Empereur des Francais, avant jugé utile de s'entendre au sujet d'une
convention additionnelle à celle conclue à la Ilaye, le 7 Novembre 18 t4, pour
l'extradition réciproque de malfaiteurs, ont muni à eet effet de Leurs pleins
pouvoirs, savoir: Sa Majesté le Roi des Pays-Bas, l e sieur Jules Philippe
Jacques Adrien Comte de Zuylen de Nyevelt, Chevalier de l'ordre du Lion
Neerlandais, Grand'croix de 1'ordre du Sauveur, Chevalier de lre classe de
l'ordre de Medjidié, Commandeur de l'ordre de Léopold, Son Chambellan et
Ministre des Affaires Etrangères et Sa Majesté l'Empereur des Francais, le Comte
de Sartiges, Grandofficier de l'ordre Impérial de la Légion d'Honneur, etc.,
etc., etc , Son Envoyé extraordinaire et Ministre Plénipotentiaire près la Cour
des Pays-Bas ; lesquels, après s'être communiqué leurs pleins pouvoirs, trouvés
en bonne et díie forme, sont convenus des articles suivants. Art. 1. L'art. 5 de
la convention du 7 Novembre 1844, est ainsi modifié: L'extradition sera demandée
par la voie diplomatique, et ne sera accordée que sur la production d'une
expédition authentique du jugement oude l'arrêt de condemnation, ou de mise en
accusation, ou du mandat d'arrêt, délivré dans les formes prescrites par la
législation du pays dont le Gouvernement fait la demande. Art. 2. Les deux
Gouvernements contractants pourront, même des avant la production du mandat
d'arrêt, demander l'arrestation immédiate et provisoire de l'étranger dopt
l'extradition est réclamée. Cette arrestation provisoire qui du rente est tont à
fait facultative, se fora dans les formes et selon les règles prescrites par la
législation du pay s ou elle a lieu. L'étranger sera mis en liberté, si dans les
quinze jours à partir de celui de sen arrestation, il ne reeoit notification du
mandat d'arrêt. Art. 3. Quant h l'application de l'art. 3 de la convention du 7
Novembre 1844, il est bien entendu que na sera pas réputé délit politique, ni
fait connexe à un semblable délit, l'attentat contre la personne d'un Souverain
étranger, ou contre celle des membres de sa famille, lorsque eet attentat
constituera le fait soit d'assassinat, soit d'empoisonnement, soit de meurtre.
Art. 4. La présente convention additionnelle sera publiée dans les deux Etats
aussitót après l'échange des ratifications, lequel aura lieu dans le délai de
trois semaines, ou plus tot si faire se peut. alle sera mise en vigueur dix
jours après celui de la publication. Eile aura la même durée que la convention
du 7 Novembre 1844, à la quelle elle se rapporte, et les deux conventions seront
censées dénoncées simultanément par le fait de la dénonciation de 1'une d'elles.
En foi de quoi les plénipotentiaires respectifs I'ont signée et y ont apposé le
cachet de leurs armes. Fait à la Haye, le deux Aoft mil buit cent soixante.
(Signe' DE ZUYLEN DE NYEVELT. (L. S.) » SARTIGES. (L. S.)
Gelet dat de uitwisseling der akten van bekrachtiging op bovenstaande
overeenkomst door Ons den 18den en door Z. M. den Keizer der Franschen den l2den
Augustus 1560 geteekend, op den 23sten derzelfde maand heeft plaats gehad. Op de
voordragt van Onzen Minister van Buitenlandsehe Zaken, van den 27sten Augustus
1860, n°. 30; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen, dat dit besluit met de
daarin vervatte overeenkomst en vertaling derzelve in het Staatsblad zal worden
geplaatst. Het Loo, den 29sten Augustus 1860. (geteekend) WILLEM. De Minister
van Buitenlandsche Zaken, (geteekend) VAN ZUYLEN VAN NYEVELT. Uitgegeven den
twaalfden September 1860. De Directeur van het Kabinet des Konings, (geteekend)
DE KOCK.
N°- 27. KONINKLIJK BIJSLUIT van den 29sten Augustus 1860 (Staatsblad no. 51),
bepalende de plaatsing in het Staatsblad van de overeenkomst tusschen Nederland
en Frankrijk gesloten, tot regeling en uitlevering van misdadigers in de
Nederlandsche en rransche West-Indische kolonien. Wij WILLEM III, BIJ DE GRATIE
GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN
LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ. Gezien de overeenkomst tusschen Nederland en _Frankrijk
tot regeling der uitlevering van misdadigers in de Nederlandsche en Fransche
West-Indische kolonien, op den 3den Augustus 1860 door de wederzijdsche
gevolmagtigden te 's Gravenhage gesloten, en welke overeenkomst luidt als volgt:
VERTALING.
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en Zijne Majesteit de Keizer der
Franschen, nuttig geoordeeld hebbende zich te verstaan omtrent eene overeenkomst,
regelende de wederkeerige uitlevering van misdadigers tusschen de Nederlandsche
en Fransche West-Indische kolonien, hebben te dien einde van Hunne volmagt
voorzien, te weten Z. M. de Koning der Nederlanden, den heer mr. Jules Philippe
Jacques Adrien graaf van Zuylen van Nyevelt, ridder der orde van den
Nederlandschen Leeuw, grootkruis der orde van den Verlosser, ridder der lste
klasse van de orde van Medjidié, commandeur dor orde van Leopold, Hoogstdeszelfs
kamerheer en Minister van Buitenlandsche Zaken; -en Z. M. de Keizer der
Franschen, den graaf de Sartiges, grootofficier der Keizerlijke orde van het
Legioen van Eer, enz., enz., enz., Hoogstdeszelfs buitengewoon gezant en
gevolmagtigd Minister bij het Hof der Nederlanden; die, na elkander hunne
volmagten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, te hebben
medegedeeld, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen.
Art. 1. De Regeringen der Nederlanden en van Frankrijk verbinden zich door de
tegenwoordige overeenkomst, wederkeerig aan elkander uit te leveren, in de
gevallen en onder de voorwaarden bepaald bij de overeenkomst van 7 November 1844
en bij de additionele overeenkomst van 2 Augustus 1860, en behoudens de
bepalingen in de volgende artikelen vervat, de misdadigers, die de wijk genomen
hebben uit de Fransche bezittingen in West-Indie naar de Nederlandsche
bezittingen in die streken, en van de Nederlandsche bezittingen in West-Indie
naar de Fransche bezittingen in die streken.
Art. 2. De uitlevering zal plaats hebben op de aanvrage, welke de Gouverneur van
de eone der wederzijdsche kolonien regtstreeks zal rigten aan den Gouverneur der
andere, die liet regt zal hebben, hetzij haar onmiddellijk toe te staan, hetzij
zijne Regering daaromtrent te raadplegen.Het beginsel van regstreeksche
tusschenkomst van de Gouverneurs der wederzijdsche kolonien, in stede van den
diplomatieken weg te volgen, zal mede toepasselijk zijn op de gevallen, voorzien
bij de artt. 7 en 9 der overeenkomst van 7 November 1844, en bij de artt. 1 en 2
der additionele conventie van 2 Augustus 1860.
Art. 3. Met afwijking van art. 1 der additionele overeenkomst van 2 Augustus
1860, zal ieder persoon, die in de koloniale strafinrigtingen eene straf
ondergaat, opgelegd ter zake van een der misdaden bij gezegde overeenkomsten
voorzien, worden uitgeleverd op vertoon van een uittreksel uit de registers,
vermeldende de misdaden, die tot de veroordeeling hebben aanleiding gegeven en
de regterlijke magt door welke zij is uitgesproken, onafhankelijk van liet
signalement van den persoon. Dit uittreksel zal namens den Gouverneur
gewaarmerkt worden door het hoofd van de strafinrigting van waar de ontvlua
t.ing zal hebben plaats gehad, en voorzien worden van liet officieel zegel der
inrigting.
Art. 4. Wanneer, krachtens art. 2 der additionele overeenkomst van 2 Augustus
!1860 , de voorloopige aanhouding zal zijn toegestaan door den Gouverneur der
kolonie, aan welken de aanvrage daartoe zal zijn gerigt, zal het bevel van
gevangenneming of liet uittreksel uit de registers bij het voorgaand artikel
vermeld, binnen den termijn van vier weken aan den aangehouden vreemdeling
moeten worden medegedeeld. Art. 5. De tegenwoordige overeenkomst zal in de beide
Staten, zoo mede in de wederzijdsche kolonien worden afgekondigd, terstond na de
uitwisseling der bekrachtigingen, welke zal plaats hebben binnen den termijn van
drie weken, of zoo mogelijk vroeger.
Zij zal in werking treden tien dagen na dien der afkondiging in de kolonien. De
tegenwoordige overeenkomst zal van kracht blijven tot dat het tegendeel door een
der Gouvernementen zal zijn verklaard. Zij zal niettemin geacht worden opgezegd
te zijn door de opzegging der overeenkomst van 7 November 1844 of van de
additionele overeenkomst van 2 Augustus 1860. Ten blijke waarvan de
wederzijdsche gevolmagtigden, haar hebben onderteekend en van het zegel hunner
wapenen voorzien. Gedaan te 's Gravenhago, den derden Augustus achttien honderd
zestig. (Get.) VAN ZUYLEN VAN NYEVELT.
N°• 28. MISSIVE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 4den September 1860, n°.
129, betrekkelijk de processenverbaal wegens onderhandsche verkoopingen. In
antwoord op hare missive van den heb ik de eer uwe commissie te berigten, dat de
processenverbaal wegens onderhandscke verkoopingen niet onder de vrijstellingen
van de geheven wordende zegel- en registratieregten zijn opgenomen. De Minister
van Justitie, Namens den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE.
N°. 29. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 13den September 1860,
n°. 108, betrekkelijk de bewassching in de gevangenissen, waar het stelsel van
eigen beheer bestaat Van den aangenomen regel, dat in de gevangenissen , waar
voor het onderhoud der gevangenen het stelsel van eigen beheer bestaat, dit
beheer, onder anderen, ook van toepassing is op de bewassching van de kleeding-
en liggingstukken der gevangenen , wordt in eenige gevangenissen afgeweken. Ik
acht het doelmatig dat deze uitzondering niet langer blijve bestaan, en ook de
behandeling van dit deel van de dienst der gevangenissen gebragt worde tot
eenvormigheid.
Derhalve zal ik gaarne zien, dat de bewasscbing, te rekenen van 1 Januarij 1861,
ook in de bedoelde gestichten door het eigen beheer plaats hebbe; dat daartoe
van dat tijdstip af de aangegane overeenkomst voor de bewassching eindige ; dat
de benoodigdheden daarvoor op gelijke wijze als de andere artikelen voor het
onderhoud der gevangenen worden aangeschaft, en het wasschen verrigt worde door
gevangenen, tegen een dagloon van 10 cents, onderworpen aan de gewone korting
van 3/10 voor Rijks aandeel. Ik verzoek de heeren Commissarissen des Konings in
de provincien Gelderland, Zuidhol'and, Noordholland, Utrecht, Overijssel,
Drenthe en Limburg, de commissie van administratie over de betrokken
gevangenissen hiervan te willen kennisgeven, met uitnoodiging, om tot de
invoering der bewassching van de kleeding- en liggingstukken der gevangenen, bij
wijze van eigen beheer, in tijds de noodige maatregelen te willen nemen en
daarvan berigt in te zenden. Ik zal dat berigt vervolgens van U Hoog Ed. Gestr.
te gemoet zien. De Minister voornoemd, (geteekend) GODEFROI.
No 30. CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 15den October 1860, n°.
99, betrekkelijk het doen drukken van verordeningen rakende het gevangenwezen.
Het is mij nuttig voorgekomen, aan het beheer en de ambtenaren der gevangenissen
de gelegenheid te verschaffen, om met do verordeningen betreffende het
gevangeniswezen bekend te worden, en ten dien einde in elke gevangenis, behalve
in de afzonderlijk gevestigde huizen van bewaring, het bureau van den kommandant,
directeur of cipier van een exemplaar dier verordeningen te voorzien. Ik heb
daartoe de noodige exemplaren van het lste en 2de deel, benevens het aanhangsel
der verzameling van wetten, decreten, besluiten, reglementen, instructiën en
bepalingen, betrekkelijk het gevangeniswezen, bewerkt door den heer J. J. de
Jongh, aangeschaft, en voorts dien heer aangemoedigd, zijne verzameling tot het
begin van het loopende jaar, en alzoo over 1852 tot en met 1859, te vervolgen,
door een gelijk getal exemplaren daarvan ten dienste der gevangenissen te
bestellen.
Wijders heb ik last gegeven, de bedoelde verordeningen over 1860 en vervolgens
jaarlijks van wee mijn Departement te doen drukken en exemplaren daarvan aan de
gevangenissen uit te reiken. Ik verzoek de Hoeren Commissarissen des Konings in
de provincien, de besturen der betrokken gevangenissen van het vorenstaande te
willen informeren, onder toezending voor elk gesticht van een der exemplaren van
het lste en 2de deel en het aanhangel der Verzameling van den heer de Jongh,
welke hiernevens zijn gevoegd De Minister van Justitie, Namens den Minister, De
Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE.
N°. 31 CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 18den Octobcr 1860, no.
130, betrekkelijk de wyziging van het reglement voor de gevangenis voor jeugdige
vrouwelijke veroordeelden, tevens huis van verbetering en opvoeding voor meisjes,
te Montfoort. In verband met de dezerzijdsche circulaire van den 29sten Julij
1859, no. 87, heb ik de eer te berigten, dat bij een noodzakelijken herdruk van
het Reglement voor de gevangenis van jeugdige vrouwelijke veroordeelden, tevens
huis van verbetering en opvoeding voor meisjes, te Montfoort, de inhoud van art.
1, a, van dat reglement nader is getoetst aan de bepalingen nopens de plaatsing
der jeugdige vrouwelijke veroordeelden, welke bij het Ede lid van het Koninklijk
besluit van den 15den Maart 1833, no. 108, en bij het lste lid van het
Koninklijk besluit van den 17den Januarij 1836, n°. 88, zijn vastgesteld, en dat
ten gevolge daarvan doelmatig is voorgekomen, art. 1, a, van het bedoeld
reglement te wijzigen als volgt: Van vrouwelijke veroordeelden, die bij den
aanvang van hare straf den leeftijd van 1.8 jaren niet hebben bereikt.
Tot vermijding van langdurige en kostbare transporten, zullen naar de gevangenis
uit de provincien Zeeland, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en het
hertogdom Limburg slechts opgezonden worden de jeugdige vrouwelijke
veroordeelden, wier straftijd ten minste zes maanden moet duren ; terwijl
derwaarts uit de provincien Noordbrabant, Gelderland, Zuidholland, Noordholland
en Utrecht al diegenen zullen worden overgebragt, die eene straf van drie
maanden en daarboven moeten ondergaan." Ik verzoek de heeren procureurs-generaal
bij de provinciale geregtshoven wel te willen bevorderen, dat dienovereenkomstig
in hun ressort met de opzending van jeugdige vrouwelijke veroordeelden naar het
gesticht te Montfoort gehandeld worde en de officieren van justitie te dezer
zake in te lichten en hen in het bezit te stellen van het reglement, waarvan de
noodige exemplaren hiernevens zijn gevoegd, en waarvan een exemplaar voor U Wel
Ed. Gestr. is bestemd. De Minister van Justitie, Namens den Minister, De
Secretaris-Generaal, (geteekend) DE JONGE.
N°. 32 CIRCULAIRE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 17den Novemnter 1860,
n°. 82, betrekkelijk een middel om laken te zuiveren en op te kleuren. De
Minister van Oorlog heeft ter mijner kennis gebragt de wijze van zamenstelling
en gebruik van een aan het leger medegedeeld middel, om lichtblaauw laken en
passementwerk met goed gevolg te zuiveren en op te kleuren. Die mededeeling is
hoofdzakelijk van den volgenden inhoud: Men overgiet 12 wigtjes fijn gewreven
cochenille met 8 vingerhoeden ammoniacwater (ammonia liquida) van 10 graden en
drie à vier malen zoo veel regenwater. Dit mengsel wordt Benige minuten gekookt,
tot dat de oplossing zeer donkerrood is geworden, en dan met regenwater
aangelengd tot een kan vocht. Er komt, na eenigen tijd gestaan te hebben, een
bezinksel in het vocht, waarvan het kan afgegoten worden, hoewel het te
verkiezen zal zijn dit niet te doen. De prijs van het middel is 12 wigtjes
cochenille. ..... . . 30 cents; 8 vingerh. ammoniacwater. . 10 cents; 1 kan
water. alzoo een kan van de oplossing. 40 cents.
Neemt men de helft cochenille meer, dan kan de kleur van het galon iets
paarscher uitvallen. Bij het gebruik worden de schoon te maken en op te kleuren
stoffen goed uitgeborsteld, op een tafel uitgespreid en met een stijven borstel
met de oplossing ingewreven, waarbij met den draad mede wordt geborsteld.Het
passementwerk en galon moeten vooral met de oplossing goed doortrokken zijn.Na
die bewerking worden de goederen in de lucht gedroogd. De aldus bewerkte
kleedingstukken, die over wit ondergoed gedragen moeten worden, kan men na het
opkleuren en droogen, met regenwater afborstelen, om voor te komen, dat de
daarop gebragte kleurstof op het ondergoed afgeeft, wanneer de bovenkleeding bij
regen doornat wordt. Vermits van dit middel mede door de rijks-veldwachters kan
worden gebruik gemaakt tot het zuiveren en opkleuren van het uitmonsteringslaken
hunner uniformkleeding en van hunne nestels, heb ik de eer UWEd. Gestr. te
verzoeken, op deze mededeeling de aandacht dier beambten te doen vestigen, met
aanbeveling, het vorenstaande zich ten nutte te maken. De Minister van Justitie,
Namens den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend) nF JONGE.
N° 33. MISSIVE VAN DEN MINISTER VAN JUSTITIE van den 28sten December 1860, no.
116, betrekkelijk het benoemen van een kantonregter tot lid van een collegie van
toezigt over een huis van bewaring. Beantwoordende uwe missive van den heb ik de
eer te kennen te geven, dat ik mij kan vereenigen met U H. Ed. Gestr. gevoelen,
dat de kantonregter altijd van regtswege lid is van het Collegie van toezigt
over het huis van bewaring. Het komt mij voor, dat art. 21 van het Reglement van
14 Augustus 1855 (Staatsblad n°. 112) geene andere betee-` kenis kan hebben, en
dat benoeming en ontslag niet te pas komen, waar iemand krachtens zijn ambt
eenige kwaliteit heeft, en die bij het ophouden van het ambt verliest. Ik geef
dus U H. Ed. Gestr. in overweging in dien geest de bedoelde voordragt van het
Collegie van toezigt over het huis van bewaring te te doen behandelen; enz. De
Minister van Justitie, Namens den Minister, De Secretaris-Generaal, (geteekend)
vl. JONGE
Dienstkleding 1954
Huishoudelijkregelement
Voorschriften 1860 Tonnenstorten
Plichtsverzuim
Wet1851
▲Geschiedenis
▲Regelementen |